Tot de rechthebbenden behoren:
de Nederlander die ingezetene is van de gemeente Renkum, van 18 jaar of ouder en zijn partner met wie hij een gezamenlijke huishouding vormt op grond van artikel 11 van de Participatiewet;
De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van artikel 8 onder a tot en met m van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 11 lid 3 van de Participatiewet, van 18 jaar of ouder, die in de gemeente Renkum woont en zijn partner met wie hij een gezamenlijke huishouding vormt; of een vreemdeling die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en die zonder begeleiding of verzorging van een ouder of voogd in gemeente Renkum woont.
het ten laste komend kind van de persoon, bedoeld in lid 1 onder a en b van dit artikel, dat in de maand januari van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt ingediend nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt;
de ingezetene van de gemeente Renkum, zijn partner met wie hij een gezamenlijke huishouding vormt en het ten laste komend kind in de leeftijd tot 18 jaar, die is toegelaten tot een traject schuldhulpverlening van de gemeente Renkum of de WSNP.
Van de kring van rechthebbenden, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgesloten:
de persoon wiens inkomen hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm, als bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 22a van de wet, met uitzondering van paren met een ten laste komend kind;
De persoon en zijn partner met wie hij een gezamenlijke huishouding vormt en die een ten laste komend kind hebben in de leeftijd tot 18 jaar, wiens inkomen hoger is dan 150% van de toepasselijke bijstandsnorm, als bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 22a van de wet;
de persoon wiens vermogen op de peildatum hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens, als bedoeld in artikel 34, derde lid van de wet;
de persoon die deelneemt aan onderwijs of een beroepsopleiding waarvoor aanspraak kan worden gemaakt op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.