Voor het plaatsen van een windturbine bij agrarische en niet-agrarische bedrijven buiten bestaand stads- en dorpsgebied gelden ten opzichte van 5.1 de volgende aanvullende voorwaarden:
Uitgangspunt is plaatsing van de windturbine binnen het bouwvlak. Pas indien aantoonbaar is dat dit niet tot de mogelijkheid behoort (ook bij het ontbreken van een bouwvlak) en er geen zwaarwegende bezwaren zijn, kan overwogen worden de windturbine buiten het bouwvlak te plaatsen, mits direct grenzend aan het bouwvlak en dit niet leidt tot aantasting van de landschappelijke waarden. Indien niet binnen het bouwvlak geplaatst, moet de windturbine binnen het bestemmingsvlak geplaatst worden met een afstand tot het ruimtelijk ensemble van maximaal de tiphoogte.
Plaatsing van de turbine achter het hoofdgebouw en bij voorkeur aan de achterzijde van het erf (achtererf) te worden geplaatst (ten opzichte van de openbare weg en erfentree).
Bij meerdere kleinschalige windturbines op één erf worden de windturbines bij voorkeur in een lijnopstelling geplaatst, op gelijke afstand van elkaar. De lijnopstelling wordt afgestemd op het verkavelingspatroon, waardoor de landschappelijke (hoofd)structuur c.q. afleesbaarheid van het landschap versterkt wordt.
De maximaal toelaatbare ashoogte van windturbines bij bedrijven gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied is 15 meter.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.2
Plaatsing bij (agrarische) bedrijven buiten bestaand stads- en dorpsgebied
Onderdeel van Beleidskader kleinschalige windturbines gemeente Molenlanden