Naar hoofdinhoud
1.. De burgemeester beëindigt de verstrekking van het leefgeld wanneer de ontheemde of meerderjarig gezinslid inkomsten uit arbeid heeft en deze inkomsten hoger zijn dat de leefgeld norm. 2.. Indien de ontheemde of een meerderjarig gezinslid inkomsten uit arbeid of een uitkering ontvangt, kan de burgemeester het leefgeld voor het gehele gezin beëindigen. 3.. Wanneer de inkomsten uit arbeid of uitkering lager zijn dan de leefgeld norm, ontvangt de ontheemde het verschil tussen de inkomsten/uitkering en de leefgeld norm. 4.. De verstrekking van het leefgeld wordt beëindigd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand van de daaropvolgende kalendermaand waarin de inkomsten uit arbeid zijn genoten. 5.. In afwijking van het eerste lid kan de burgemeester besluiten om bij inkomsten uit arbeid bij een proefplaatsing van maximaal drie dagen de verstrekking van het leefgeld niet te beëindigen. 6.. De verstrekking van het leefgeld wordt beëindigd wanneer de ontheemde verhuist naar een andere gemeente of naar het buitenland. De beëindiging vindt plaats met ingang van de eerste dag van de daaropvolgende kalendermaand waarin de ontheemde is verhuisd. 7.. De ontheemde kan de GOO of POO verlaten voor de duur van maximaal 28 dagen per kalenderjaar met behoud van het leefgeld. Indien ontheemde na afloop van de periode van 28 dagen niet is teruggekeerd naar de GOO of POO wordt de verstrekking van het leefgeld beëindigd. 8.. Wanneer de ontheemde gedurende de kalendermaand verhuist naar een ander type opvang binnen de gemeente, dan behoudt de ontheemde het reeds ontvangen leefgeld voor de maand waarin hij is verhuisd. Na de verhuizing ontvangt hij het nadien van toepassing zijnde leefgeld op de eerste van de daaropvolgende kalendermaand. Een eventueel verschil in het leefgeld wordt niet van de ontheemde teruggevorderd of verrekend.

Rechtspraak bij dit artikel