Woonruimten kunnen in afwijking van artikel 3:4, eerste lid, en artikel 3:5 worden aangeboden, met een maximum van 10% van het vrijkomende aanbod van woonruimten zoals bedoeld in artikel 3:1, eerste lid,
indien deze door de woningcorporatie op een wijze zoals bedoeld in artikel 3:4, dertien weken vruchteloos of ten minste vijftig maal tevergeefs is aangeboden aan woningzoekenden; of
indien de woonruimte in lokale afspraken tussen gemeenten, huurdersorganisaties en woningcorporaties wordt aangemerkt als geschikt voor afwijking van artikel 3:4 en 3:5.