Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring als naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 2:3;
er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem;
de aanvrager kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of was te voorzien;
het huisvestingsprobleem kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening;
het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een aan de aanvrager of lid van diens huishouden toe te rekenen handelen of nalaten;
het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar een zelfstandige woonruimte of een ándere zelfstandige woonruimte;
de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan de aanvrager of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is vervallen of ingetrokken met toepassing van artikel 4:8 of artikel 4:9;
de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien;
het huishoudinkomen is hoger dan het inkomen genoemd in artikel 2:3, derde lid;
de aanvrager kan naar verwachting bij toepassing van de in artikel 3:5, eerste lid, genoemde rangorde binnen drie maanden een andere woonruimte krijgen;
de aanvrager woont in een onderkomen dat formeel geen zelfstandige woonruimte is, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6, eerste lid, onder a;
de aanvrager heeft niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf of na het ontstaan van het huisvestingsprobleem aantoonbaar gereageerd op het beschikbare woningaanbod, tenzij:
de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6; of
er sprake is van een acute onvoorzienbare noodsituatie, waardoor de aanvrager niet heeft kunnen reageren, of waarbij het zeer onwenselijk is om direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden te reageren.
de aanvrager staat niet ten minste al twee jaar voorafgaand aan de aanvraag aansluitend ingeschreven in de Basisregistratie personen van de gemeenten in de regio Haaglanden, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6.