Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning als bedoeld in artikel 5:1 intrekken indien:
- - de houder van die vergunning niet binnen een jaar nadat die vergunning onherroepelijk is geworden is overgegaan tot onttrekking, omzetting of woningvorming;
- - die vergunning is verleend op grond van door de houder van die vergunning verstrekte gegevens, waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;
- - de voorwaarden of voorschriften vastgelegd in de artikelen uit hoofdstuk 5 niet worden nageleefd;
- - de op grond van artikel 5:2, onder b, genoemde onzelfstandige woonruimten langer dan zes maanden niet als onzelfstandige woonruimte is gebruikt;
- - er ten aanzien van de woonruimte waarvoor de vergunning is verleend op grond van artikel 5:2, onder b, sprake is van een onaanvaardbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de betreffende woonruimte. Er is sprake van een onaanvaardbare inbreuk als bedoeld in de eerste volzin indien:
- - er sprake is van aantoonbare structurele overlast op grond van objectieve feiten en omstandigheden; en
- - de overlastveroorzaker en eigenaar vooraf door de klagers en door burgemeester en wethouders op de structurele overlast is gewezen en dit niet tot beëindiging van de overlast heeft geleid;
- - er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.