Naar hoofdinhoud

Artikel 9.

Niet of onvoldoende nakomen van de geüniformeerde verplichtingen

Onderdeel van De Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Voorne aan Zee 2023

1.. De maatregel wordt vastgesteld op 100 procent van de uitkering gedurende een maand bij de volgende gedraging: geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau; het niet verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag. 2.. De maatregel wordt vastgesteld op 100 procent van de uitkering gedurende twee maanden bij de volgende gedraging: het niet aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te verhuizen; niet bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; niet bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan; geen gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. 3.. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in dit artikel, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging, wordt de duur van de verlaging verdubbeld met een maximum van drie maanden. 4.. De maatregel, bedoeld in eerste en tweede lid, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 5.. Bij een verlaging als bedoeld in het eerste lid, kan de verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld. 6.. Bij een verlaging als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, c, d en e, kan de verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand een derde van de verlaging wordt toebedeeld. 7.. Als gedurende minimaal twee maanden de uitkering met 100% is verlaagd, kan het college op verzoek van de belanghebbende ten aanzien van wie de maatregel is opgelegd, de verlaging herzien, zodra uit de houding en gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 18 vierde lid van de Participatiewet, nakomt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel