Voor het in werking treden van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) was de regelgeving voor het toepassen van grond en baggerspecie en bouwstoffen versnipperd in diverse wet- en regelgevingen. Deze waren complex, onoverzichtelijk en in de praktijk moeilijk handhaafbaar. Daarom zijn de regels herzien en is één eenduidig kader gemaakt: het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit heeft betrekking op de kwaliteit van de uitvoering (Kwalibo) en het toepassen van grond en baggerspecie en bouwstoffen.
Op 1 januari 2008 is naast het Bbk ook de Regeling bodemkwaliteit (Rbk) in werking getreden. De Regeling geeft een technische invulling aan de hoofdregels van het Besluit en uitleg over de uitvoering. In de Rbk staan onder andere de normen, de wijze waarop de kwaliteit van grond, baggerspecie en bouwstoffen dient te worden bepaald en de wijze waarop aan de normen wordt getoetst. Het Bbk en de Rbk vullen elkaar aan en zijn niet los van elkaar te gebruiken
Binnen het Besluit bodemkwaliteit kunnen gemeenten en waterschappen voor het toepassen van grond en baggerspecie aansluiten bij het landelijke generieke beleid zoals dat in het Bbk is opgenomen. Ook bestaat de mogelijkheid om op gebiedsniveau maatwerkbeleid te formuleren in de vorm van gebiedspecifiek beleid. Gemeenten en waterschappen kunnen voor hun beheergebied of delen daarvan eigen kwaliteitsnormen vaststellen. Op deze wijze kunnen onder bepaalde voorwaarden de toepassingseisen voor grond en baggerspecie worden versoepeld of aangescherpt en zijn er meer mogelijkheden voor een lokale invulling van het beleid als het gaat om de toepassing van grond- en baggerstromen.
Generiek of Gebiedspecifiek beleid
In het generieke kader wordt gebruik gemaakt van een dubbele toetsing voor het vaststellen van de toepassingseisen voor het hergebruik van grond. De aanwezige bodem heeft een bepaalde kwaliteit die valt in één van de drie bodemkwaliteitsklassen ‘landbouw/natuur’, ‘wonen’ of ‘industrie’. De bodemfunctie binnen een deelgebied stelt eisen aan de toe te passen grond, vertaald naar de bodemfunctieklassen ‘niet ingedeeld’, ‘wonen’ en ‘industrie’. Uiteindelijk bepaalt de strengste van deze twee de toepassingseis in een deelgebied, de zogenaamde dubbele toets.
In onderstaande tabel is weergegeven hoe via de dubbele toets wordt gekomen tot de toepassingseisen.
Tabel 2.1
Dubbele toets in het Bbk
Bdemfunctieklasse
Bodemkwaliteit
Toepassingseis
Niet ingedeeld
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Niet ingedeeld
Wonen
Landbouw/natuur
Niet ingedeeld
Industrie
Landbouw/natuur
Wonen
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Wonen
Wonen
Wonen
Wonen
Industrie
Wonen
Industrie
Landbouw/natuur
Landbouw/natuur
Industrie
Wonen
Wonen
Industrie
Industrie
Industrie
Indien het generieke beleidskader onvoldoende mogelijkheden biedt voor hergebruik van grond, kunnen gemeenten (binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit) gebiedspecifiek beleid ontwikkelen.
Gebiedspecifiek beleid gaat uit van stand-still op niveau van het beheergebied en is toegespitst op het gewenste hergebruik van grond binnen het eigen beheergebied. In de context van het Besluit bodemkwaliteit betekent stand-still dat er binnen het eigen beheergebied de verontreinigingsvracht niet groter mag worden, maar dat de verdeling van de totale verontreiniging binnen het beheergebied mag veranderen. Er mag derhalve besloten worden, binnen bepaalde kaders, dat bepaalde gebieden in een beheergebied meer verontreinigd worden, mits dat leidt tot minder verontreiniging elders in het beheergebied. Zo kan bijvoorbeeld besloten worden grond met klasse ‘industrie’ toe te passen op een nieuw aan te leggen industrieterrein met een initieel goede bodemkwaliteit, ten gunste van verbetering van de bodemkwaliteit in gebiedsdelen elders in het beheergebied met gevoeligere bodemfuncties (wonen, kinderspeelplaatsen, moestuinen e.d.).
Voor de verschillende onderscheiden bodemfuncties kunnen eigen kwaliteitseisen, de zogenaamde Lokale Maximale Waarden (LMW), worden vastgesteld. Deze waarden bevinden zich tussen het niveau van de Achtergrondwaarden en het Saneringscriterium.
Ter verduidelijking is in onderstaande figuur de normstelling voor het generieke en het gebiedspecifieke kader samengevat.
Figuur 2.2
normstelling voor toepassing van grond op of in de bodem
Het verschil tussen het generieke toepassingskader en het gebiedspecifieke toepassings-kader is dat bij generiek getoetst wordt aan de vereiste kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem (zie tabel 2.1), terwijl bij gebiedspecifiek getoetst wordt aan de vastgestelde lokale maximale waarde (gehalten) van de ontvangende bodem. Deze LMW kunnen gelijk zijn aan de maximale waarden van de functieklasse van de ontvangende bodem, maar dat hoeft niet.
Nuttig en functioneel
Partijen grond en baggerspecie mogen alleen volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit worden toegepast als er sprake is van een nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan wordt de toepassing gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden op grond van de Europese kaderrichtlijn afvalstoffen strengere regels. Artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit geeft een overzicht van de toepassingen die als nuttig worden beschouwd, zoals:
toepassen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies;
ophogen van industrieterreinen en woningbouwlocaties;
afdekken van saneringslocaties;
verspreiden van baggerspecie op het aangrenzende perceel;
toepassen van baggerspecie, op een niet aan de watergang grenzende percelen als ophoging of grondverbetering;
tijdelijke opslag van grond en baggerspecie.
De toepasser van grond moet aannemelijk maken dat sprake is van een nuttige toepassing.
Naast nuttig moet de toepassing op grond van artikel 5 van het besluit ook functioneel zijn. Dit houdt in dat er niet meer grond of baggerspecie mag worden toegepast dan voor de toepassing noodzakelijk is.
Grootschalige toepassingen
Binnen het Bbk is een verbijzondering opgenomen: het toetsingskader voor het toepassen van grond en baggerspecie in grootschalige toepassingen. Er hoeft dan niet te worden getoetst aan de kwaliteit en de functie van de ontvangende bodem. Wel moet worden voldaan aan de kwaliteitseisen en toepassingsvoorwaarden van dit toetsingskader zodat het milieu in voldoende mate is beschermd. Grootschalige toepassingen hebben een minimaal volume van 5.000 m3 en een minimale toepassingshoogte van 2 meter. Voor (spoor)wegen geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter.
Van dit toetsingskader kunnen toepassers van grond gebruik maken; het is niet verplicht. In het Besluit (artikel 63) zijn toepassingen benoemd die als grootschalige toepassingen gedefinieerd mogen worden:
toepassingen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen;
toepassingen van grond en baggerspecie voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving;
toepassingen van grond en baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart;
toepassing van grond en baggerspecie in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen.
Het ophogen van een industrie/bedrijventerrein of een woonwijk mag niet als een grootschalige toepassing worden beschouwd.
Kwalibo
Onder de naam Kwalibo regelt het Bbk de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Het betreffen regels voor de uitvoering van het bodembeheer. Het doel van Kwalibo is de kwaliteit te verhogen en de integriteit van de uitvoerders te verbeteren. Kwalibo richt zich vooral op de bodemintermediairs. Dat zijn ondermeer de adviesbureaus, laboratoria, aannemers, grondbanken, producenten van bouwstoffen en bedrijven die grond en baggerspecie reinigen en verwerken. Overheden mogen aanvragen voor het uitvoeren van wettelijke taken alleen nog maar in behandeling nemen als deze gegevens afkomstig zijn van een erkend bedrijf. Op de website van AgentschapNL (www.agentschapnl.nl) staat vermeld welke instellingen en personen erkend en geregistreerd zijn.
Richtlijn bodemkwaliteitskaarten
De landelijke Richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten is voorgeschreven als een bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld die wordt gebruikt voor hergebruik van grond en baggerspecie onder het Besluit bodemkwaliteit. Deze Richtlijn schrijft onder andere voor
de te hanteren normen;
hoe om te gaan met afwijkingen in bodemkwaliteit (zgn. uitbijters);
de vergelijkbaarheid van oude en recente bodemgegevens;
hoe om te gaan met ‘bijzondere omstandigheden’;
het op kaart weergeven van de bodemkwaliteit en kwalitatieve toepassingseisen voor grond en bagger in het beheergebied.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.2
Artikel 2.2.1
BESLUIT EN REGELING BODEMKWALITEIT
Onderdeel van Nota bodembeheer regio MARN