Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 3.2

Artikel 3.2.1

Kernpunten uit de Wamz

Onderdeel van Beleidsnota archeologie

Middels de invoering van de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta voor Nederland nader uitgewerkt. De drie meest ingrijpende punten uit dit verdrag worden hieronder kort uiteengezet:4In deel II van deze nota worden deze punten verder uitgewerkt. Het streven naar in-situ behoud en bescherming van archeologische waarden. Voordat een bodemverstoring plaatsvindt, dient aangetoond te worden dat de archeologische resten in de bodem niet (onevenredig) worden geschaad. Blijkt uit de resultaten van een (bureau)onderzoek, dat waardevolle sporen in de bodem aanwezig zijn, dan moet de gemeente een belangenafweging maken. Een initiatiefnemer kan, gelet op het groot wetenschappelijk belang van de aanwezige archeologische resten, door de gemeente gevraagd worden om zijn bouwplannen aan te passen (in-situ behoud). Meestal zullen de archeologische resten echter door middel van een archeologische opgraving veilig gesteld moeten worden (ex-situ behoud). De kosten van archeologische werkzaamheden komen in principe voor rekening van de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten (‘veroorzakerprincipe’). Indien behoud in-situ niet mogelijk is, dan moeten de archeologische waarden veiliggesteld worden middels een opgraving. De Wamz kent het veroorzakersprincipe: ‘de verstoorder betaalt’. Dit betekent, dat een initiatiefnemer (vergunningaanvrager) de kosten dient te dragen van de aanpassing van zijn plannen of van het archeologisch (voor)onderzoek. De archeologische monumentenzorg wordt een geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijke ordeningsproces. De Wamz is een wijzigingswet waarmee niet alleen de Monumentenwet uit 1988 is aangepast, maar ook de Ontgrondingwet, de Wet milieubeheer, de Woningwet en de Wet ruimtelijke ordening. De wet gaat ervan uit dat bij het maken van plannen rekening gehouden wordt met aanwezige danwel te verwachten archeologische monumenten.5Het begrip monument slaat hierbij niet op een wettelijk beschermd monument, maar op alle onroerende zaken die deel uitmaken van cultureel erfgoed (Erfgoedwet artikel 1.1) Daarom is voorgeschreven dat bij het maken van een bestemmingsplan de archeologische belangen worden afgewogen. Het gaat dus niet alleen maar om documentatie op het moment dat er iets wordt verstoord, maar om de afweging vooraf. Aan elk bestemmingsplan moet daarom een paragraaf worden toegevoegd waar in staat op welke plaatsen sprake is van (verwachte) archeologische waarden en hoe daarmee omgegaan dient te worden.6MW art. 38a via Erfgoedwet artikel 9 stelt namelijk: ‘De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening […] en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten’. In navolging hierop kan de gemeente een goedgekeurd archeologisch onderzoeksrapport verlangen als voorwaarde tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Deze koppeling is logisch, omdat in het proces van de ruimtelijke ordening immers besluiten worden voorbereid, die verstrekkende gevolgen hebben voor het archeologische bodemarchief: bijvoorbeeld de bouw van woningen of bedrijfsgebouwen, de aanleg van infrastructuur of de inrichting van natuurgebieden. Een voorbeeld Wanneer in een bepaald gebied belangrijke archeologische resten worden vermoed, kan in een bestemmingsplan geregeld worden dat eerst een (verkennend) archeologisch onderzoek moet worden gedaan. Dit met als doel om vast te stellen of er ook daadwerkelijk archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, wat de waarde daarvan is. De kosten van dat onderzoek komen ten laste van de initiatiefnemer (aanvrager van de vergunning). Blijken er dan inderdaad belangrijke resten aanwezig te zijn dan dient geprobeerd te worden de plannen zodanig aan te passen dat de resten in-situ behouden kunnen worden. Als dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld, omdat er een kelder moet komen, dan is de initiatiefnemer verplicht de kosten van archeologisch onderzoek te betalen. Het is de nadrukkelijke bedoeling van de wetgever dat de initiatiefnemer op deze wijze de kosten van het onderzoek afweegt tegen zijn belang om een kelder te maken. Uit het verkennend onderzoek kan natuurlijk ook blijken dat de archeologische resten zo belangrijk zijn dat ze moeten blijven zitten. In dat geval kan geen kelder worden gebouwd. Dit soort zaken werd tot voor kort niet in bestemmingsplannen geregeld en is dus nieuw. De gemeente streeft ernaar om het verstoorders principe zodanig toe te passen dat geen onnodige verplichtingen worden opgelegd, maar dat wel het doel van de wetgeving voor ogen wordt gehouden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel