Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 4.3

Artikel 4.3.1

Oppervlakte-ondergrenzen

Onderdeel van Beleidsnota archeologie

De basis voor de voorgestelde oppervlakte-ondergrenzen vormt de wettelijke 100m2-ondergrens (Monumentenwet, art. 41a via overgangsrecht Erfgoedwet artikel 9). Uitzondering hierop vormen de vergunningaanvragen ter plekke van beschermde archeologische rijksmonumenten, die altijd door de RCE beoordeeld dienen te worden. De wettelijke 100m2-grens voor een archeologische onderzoeksplicht mag door een gemeenteraad beargumenteerd naar boven of beneden bijgesteld worden. Voor de wettelijk beschermde archeologische rijksmonumenten geldt, dat te allen tijde een Monumentenvergunning dient te worden aangevraagd bij de RCE. Voor de gebieden met hoge archeologische waarde (bekende grafheuvels, Steentijd vindplaatsen, de Heiligenberg, Bavoort en Kamp Amersfoort) is ter bescherming van de aanwezige archeologische resten in de bodem een strengere ondergrens dan de wettelijke 100m2 nodig. Aangezien zelfs kleine bodemingrepen hier archeologische resten kunnen vernietigen is bij alle plangebieden binnen deze zone waar bodemingrepen dieper dan 30cm onder maaiveld plaatsvinden, voorafgaand archeologisch onderzoek noodzakelijk. Voor de Archeologisch Verwachtingsgebieden vindt de gemeente het niet nodig een strengere ondergrens op te stellen dan de wettelijke ondergrens van 100m2. Waar de gemeente het mogelijk acht, zal de ondergrens verruimd worden. Voor de gebieden met een hoge archeologische verwachting, kiest de gemeente in haar ondergrensbeleid voor aansluiting bij de wettelijke 100m2-grens. Voor de gebieden met een middelhoge archeologische verwachting, verruimt de gemeente de ondergrens naar 500m2. In deze gebieden zijn veelvoorkomende bodemingrepen, bijvoorbeeld de bouw van een woning, kleiner dan 500m2 vrijgesteld van een archeologische onderzoeksplicht. Voor de gebieden met een lage archeologische verwachting, verruimt de gemeente de ondergrens naar 10.000m2. In deze gebieden zijn bodemingrepen toegestaan, tenzij sprake is van grootschalige ontwikkelingen waarbij bodemverstoring groter dan 10.000m2 optreedt. Terreinen zonder archeologische verwachting Archeologisch reeds onderzochte terreinen zijn altijd onderzocht naar aanleiding van de specifieke vergunningsaanvraag. Hierbij speelde de verwachte verstoring (soort, diepte, omvang e.d.) een rol bij de keuze voor het soort onderzoek. Een nieuwe vergunningsaanvraag binnen hetzelfde plangebied zal daarom in principe altijd opnieuw aan een archeologische toets moeten worden onderworpen. Uiteraard zijn er daarnaast ook gebieden waarvan op basis van uitgevoerd archeologisch onderzoek is geconcludeerd dat de archeologische verwachting dermate laag is, dat archeologisch onderzoek hier niet langer zinvol is. Deze gebieden hebben in de betreffende bestemmingsplannen ook geen dubbelbestemming Waarde – Archeologie meer. Tevens zijn enkele percelen dermate volledig opgegraven dat er geen archeologische resten meer aanwezig zijn. Bijvoorbeeld na het grootschalige onderzoek bij De Schammer. Ook deze zones hebben geen archeologische verwachting meer. De oppervlakte-ondergrens van het projectgebied betreft bij bestemmingsplanwijzigingen, ontheffingen en projectbesluiten het totale gebied waar een (nieuwe) bestemming wordt opgelegd. Aangezien het Verdrag van Malta van het principe in situ-bescherming uitgaat, is het zaak voor die delen die - vooralsnog - niet verstoord worden een beschermingsregime op te leggen. Daarmee wordt de initiatiefnemer in staat gesteld plannen eventueel aan te passen aan de archeologie. Bij een bouw- of aanlegactiviteit (middels omgevingsvergunning) wordt voor de ondergrens uitgegaan van het omtrek-oppervlak binnen het projectgebied waar daadwerkelijk bodemverstoring gaat plaatsvinden. Als voor een projectgebied twee of meer categorieën gelden, dan geldt de hoogste verwachting/waarde voor het gehele terrein.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel