De verkennende fase is gericht op het in detail in beeld krijgen van de archeologische verwachting voor een plangebied. De gedetailleerde gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voorziet hier in grote lijnen in. Er zijn echter situaties denkbaar dat aanvullende gegevens nodig zijn over de specifieke geologische opbouw van een gebied en de hieraan te relateren archeologische verwachting. Een voorbeeld zijn gebieden met niet bekende maar mogelijk omvangrijke bodemverstoringen, waardoor de toegekende verwachting naar beneden dient te worden bijgesteld. Dit zal vooral op perceelsniveau altijd nader onderzocht moeten worden.
Vrijgeven op basis van verkennend booronderzoek
De verkennende fase moet worden gezien als een voorbereiding op een gerichte karterende fase (en is dan ook niet verplicht). In sommige gevallen kunnen de resultaten van de verkennende fase leiden tot het vrijgeven van een bodemverstorende ingreep in een plangebied. Dit kan alleen het geval zijn als blijkt dat de bodem recentelijk dermate diepe is verstoord (tot ver in het dekzand, de zogenaamde C-horizont, de bodemlaag waarin zich de meeste archeologische sporen aftekenen). Hiermee kan aannemelijk worden gemaakt dat alle (mogelijk aanwezige) archeologische waarden reeds vernietigd zijn. Een geringe aftopping van de C-horizont is zeker geen garantie voor de afwezigheid van archeologische sporen, zo hebben vele opgravingen in de gemeente Leusden aangetoond.
De verkennende fase aanvullen met het zetten van grondboringen is met name interessant en zinvol voor grotere plangebieden. Hoe kleiner het gebied, hoe lager het rendement van een verkennende fase, omdat naar verhouding meer boringen nodig zijn. Vaak kan op voorhand al aangetoond worden middels oude bouwtekeningen van gesloopte panden, ontgrondings- of saneringsgegevens etc. in hoeverre grote grondverstoringen in een plangebied te verwachten zijn. Verkennende boringen kunnen dergelijke informatie staven.