Een archeologische begeleiding mag alleen bij hoge uitzondering plaatsvinden. Dit, omdat er vaak te veel belemmeringen zijn om een goed archeologisch onderzoek uit te voeren. Een begeleiding wordt via de vergunningen geregeld. De reden om te kiezen voor een begeleiding i.p.v. een volwaardig onderzoek dient altijd te worden onderbouwd. Er zijn in het algemeen drie redenen om voor een begeleiding te kiezen:
Wanneer sprake is van bijzondere onderzoeksvragen bij uitvoeringstrajecten (bijvoorbeeld archeologisch onderzoek in beekdalen, waarbij het gaat om toevalsvondsten);
Wanneer het als gevolg van fysieke belemmeringen niet mogelijk is om adequaat onderzoek te doen (denk bijvoorbeeld aan de smalle sleuven voor de aanleg van NUTS-voorzieningen);
Wanneer bij gewaardeerde terreinen op grond van beschikbare archeologische informatie wordt geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) mogelijk is, maar men toch het zekere voor het onzekere wil nemen (als blijkt dat de locatie van de bodemingrepen is verstoord, of dat de archeologische laag niet wordt geraakt).
Hoofdstuk › Paragraaf 7.4
Artikel 7.4.2
Archeologische begeleiding
Onderdeel van Beleidsnota archeologie