Op grond van dit artikel van de verordening moet een verhuurder van een sociale of middenhuurwoning op woning, gerekend vanaf het eerste moment van ingebruikname, gedurende een minimale termijn beschikbaar houden voor de doelgroep waarvoor de woning bedoeld is. De zogeheten instandhoudingstermijn.
Voor sociale huurwoningen is de instandhoudingstermijn gesteld op 25 jaar, omdat het aanbod voor deze categorie het meest knelt en er daarom grote behoefte is aan voortdurende beschikbaarheid van dit type woningen. Voor middenhuurwoningen is er iets meer flexibiliteit mogelijk en is instandhoudingstermijn op 10 jaar gesteld.
De instandhoudingstermijnen zijn overgenomen uit de Nota kaders en instrumenten woningbouw programmering; Spelregels 30-35-35.
Gedurende de instandhoudingstermijn mag de huurprijs van de sociale huurwoningen of de middenhuurwoningen niet hoger zijn dan de uit de wet of deze verordening voortvloeiende huurprijsgrens. Ook indien de betreffende woningen gedurende de instandhoudingstermijn worden onttrokken aan de doelgroep, wordt in strijd gehandeld met de Doelgroepenverordening Brummen 2023. Als voorbeeld kan worden genoemd het geval dat een middenhuurwoning wordt verkocht aan een bewoner, dan wel voor een te hoge huurprijs wordt verhuurd gedurende de instandhoudingstermijn. In die gevallen kan de gemeente handhavend optreden, bijvoorbeeld door het opleggen van een last onder dwangsom.
Voor goedkope koopwoningen en betaalbare koopwoningen is een instandhoudingstermijn van 10 jaren opgenomen. In deze periode mag de woning niet verkocht worden boven de opgenomen vrij op naam prijzen opgenomen in de verordening en dien t er een inkomenstoets plaats te vinden bij de potentiële koper.