Een bestemmingsplan bevat altijd een paragraaf over de bodemkwaliteit. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 3.1.6 lid 5c van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel staat een verwijzing naar artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Hierin is geregeld dat het gemeentebestuur bij haar besluitvorming de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Hierin is geen rechtstreekse verplichting opgenomen voor het uitvoeren van bodemonderzoek of bodemsanering. De gemeente heeft daarmee onder het huidige stelsel de mogelijkheid om te beoordelen in welke gevalleen een uitgebreid of beperkt onderzoek wordt geëist.
Eenzelfde keuzevrijheid heeft de gemeente in het kader van de omgevingsvergunning. Het is niet altijd wenselijk om een bodemonderzoek te verlangen, omdat dit mogelijk een onnodige kostenpost bij het bouwen met zich meebrengt. In de bouwverordening van de gemeente legt de gemeente vast voor welke situaties en onder welke voorwaarden een vrijstelling kan worden verleend.
In het schema op de volgende pagina is aangegeven wanneer en op welke wijze de bodemkwaliteitskaart kan worden ingezet voor een aanvraag omgevingsvergunning bouwen of een aanpassing van het bestemmingsplan.
Beleidsregel bodem in de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de onderstaande beleidsregel.
De deelnemende gemeenten staan toe dat dat de bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek conform NEN 5725 als bewijsmiddel mag dienen voor een bodemgeschiktheid voor een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een bestemmingsplanwijziging. Indien uit het vooronderzoek blijkt dat sprake is van een verdachte locatie, met beïnvloeding van een lokale puntbron, kan de kaart niet als bewijsmiddel worden toegepast.
NB: uit bovenstaande beleidsregel volgt automatisch dat voor uitgesloten locaties en locaties waarvan is aangetoond dat deze sterk verontreinigd zijn of wegens heterogeniteit verdacht op verontreiniging zijn, de bodemkwaliteitskaart niet bruikbaar is als bewijsmiddel. Het gaat hierbij expliciet om de boven- en ondergrondzones van “Oude bebouwing en kern na 1970 Eijsden” en “Eijsden kern voor 1970”. Voor bodemroerende activiteiten in deze zones dient altijd een verkennend bodemonderzoek, dan wel aangevuld met asbestonderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de kwaliteit.
Dit is bestaand beleid in de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Meerssen, Vaals en Valkenburg aan de Geul en is nieuw voor de gemeente Voerendaal.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.5
Artikel 3.5.1
Bodem in de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan
Onderdeel van Nota bodembeheer