Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.10

Artikel 4.10.4

Bewijsmiddelen voor met PFAS-verontreinigde grond of baggerspecie

Onderdeel van Nota bodembeheer

Van partijen grond en baggerspecie die worden toegepast binnen het beheergebied dient het PFAS-gehalte bepaald te zijn. Toepassen van grond en baggerspecie binnen het beheergebied en is mogelijk na een melding bij het meldpunt bodemkwaliteit. Hierbij kan de bodemkwaliteitskaart PFAS 17 Rapport bodemkwaliteitskaart PFAS Heuvelland, projectnummer 0472570.100, versie D1, d.d. 2 december 2022, door Antea Group worden gebruikt in combinatie met een historisch bodemonderzoek conform de NEN 5725 waaruit blijkt de ontgravingslocatie niet verdacht is op het voorkomen van PFAS-verbindingen als gevolg van een (bedrijfsmatige) activiteiten op of nabij de locatie. Een lijst met activiteiten die als verdacht op de verspreiding van PFAS in het milieu worden beschouwd, kan worden geraadpleegd via het Handelingskader voor PFAS van Expertisecentrum PFAS (ISBN/EAN 978-90-815703-0-5, d.d. 25 juni 2018). Indien uit het historisch bodemonderzoek blijkt dat de grond verdacht is op het voorkomen van PFAS door een bronlocatie, kan de bodemkwaliteitskaart PFAS niet als erkend bewijsmiddel gehanteerd worden en dient de partij middels een bodemonderzoek of partijkeuring op de aanwezigheid van PFAS onderzocht te worden. Blijkt de concentratie van één van de PFAS de toepassingsnormen uit paragraaf 2.4.4 van deze Nota te overschrijden, dan kan de grond niet worden toegepast binnen het beheergebied. Wanneer de bodemkwaliteitskaart PFAS niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt, dient de milieuhygiënische kwaliteit met betrekking tot PFAS van de toe te passen grond of baggerspecie op een andere wijze te worden aangetoond. Hiervoor zijn de volgende bewijsmiddelen erkend: Erkende kwaliteitsverklaring; Fabrikant-eigenverklaring; Een partijkeuring met analyse op PFAS (AP04, BRL SIKB 1000, protocol 1001); Een bodemonderzoek naar PFAS, conform de NEN 5740, mits een van de volgende onderzoeksstrategieën is gehanteerd (conform artikel 4.3.4 sub 2 van de Regeling Bodemkwaliteit): De toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S); De toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR); De partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE). Een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720. Andere onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 kunnen niet gebruikt worden als erkend bewijsmiddel van de kwaliteit van de grond. Deze bodemonderzoeken kunnen enkel in combinatie gebruikt worden met een vooronderzoek NEN 5725 en de bodemkwaliteitskaart. Voor het toepassen van grond of baggerspecie op uitgesloten locaties dient de kwaliteit van de ontvangende bodem vastgesteld te worden (dubbele toets). Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen zijn de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit: Onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV); Onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie (ONV-GR); Onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting (ONB); Onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S); Onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR); Onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE). Bij de bovenstaande onderzoeksstrategieën kan onderzoek naar de kwaliteit van het grondwater en de kwaliteit van de grond van de ontvangende bodem, indien op 0,5 m-mv en dieper, achterwege blijven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel