Naar hoofdinhoud
1.. Uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar waarvoor subsidie voorschoolse educatie is verleend, rapporteert de houder over het totaal van de hiervoor vermelde kwartaalgegevens. 2.. De subsidie voorschoolse educatie wordt vastgesteld op de daadwerkelijk bestede uren per peuter aan de hand van het door het college vastgestelde uurtarief en onderverdeling naar categorieën van artikel 8 lid 1 onder b. 3.. Indien, gedurende het jaar waarover subsidie is ontvangen, door de GGD één of meerdere overtredingen worden geconstateerd ten aanzien van de gemeentelijke voorschoolse criteria en deze blijken bij een nader onderzoek niet hersteld te zijn, kan de subsidie lager worden vastgesteld. De manier waarop dat bij de subsidievaststelling beoordeeld zal worden, wordt in de verleningsbeschikking opgenomen. 4.. Uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar waarvoor subsidie pedagogisch beleidsmedewerker is verleend, rapporteert de houder het werkelijke aantal doelgroeppeuters in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar op peildatum 1 januari van het jaar waarover subsidie is aangevraagd. 5.. De subsidie extra pedagogisch beleidsmedewerker wordt vastgesteld op het werkelijke aantal doelgroeppeuters in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar op peildatum 1 januari van het jaar waarover subsidie is aangevraagd. 6.. Uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar waarvoor subsidie bovenformatieve inzet in de VE is verleend, verstrekt de houder een inhoudelijk verslag en een financieel verslag met daarin opgenomen per locatie: ureninzet, uitgesplitst naar functie (pedagogisch medewerker, groepshulp en/of bbl’er). 7.. De subsidie bovenformatieve inzet in de VE wordt vastgesteld op het werkelijke aantal bestede uren en bijbehorend uurtarief per houder tot een maximum van de verleende subsidie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel