**1..** Het college stelt vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar het normtarief, het uurtarief regulier, en het uurtarief VVE vast.
**2..** Het college stelt jaarlijks vóór 1 oktober de inkomensafhankelijke ouderbijdrage vast voor het volgende kalenderjaar. Deze bijdrage is gebaseerd op het maximumtarief van de kinderopvangtoeslag.
**3..** De grondslag voor de subsidie is het werkelijk aantal uren dat deze peuters gebruik maken van reguliere en VVE peuterplaats op de peildata zoals bepaald in artikel 7.9 lid 1 van deze subsidieregeling.
**4..** De hoogte van de subsidie wordt als volgt bepaald:
per bezette reguliere peuterplaats in de peuteropvang voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag: 320 uur (8 uur x 40 weken) maal het vastgestelde uurtarief regulier minus de ouderbijdrage.
per bezette reguliere peuterplaats in de peuteropvang voor ouders die recht hebben op kinderopvangtoeslag: het koptarief voor 320 uur (8 uur x 40 weken).
per bezette VVE peuterplaats in de peuteropvang voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag: 320 uur (8 uur x 40 weken) per jaar maal het vastgestelde uurtarief VVE minus de ouderbijdrage en 320 uur (8 uur x 40 weken) per jaar maal het vastgestelde uurtarief voor VVE.
per bezette VVE peuterplaats in de peuteropvang voor ouders met recht op kinderopvangtoeslag: 320 uur (8 uur x 40 weken) het koptarief en 320 uur (8 uur x 40 weken) per jaar het vastgestelde uurtarief voor VVE.
per bezette VVE peuterplaats in de kinderdagopvang voor ouders met recht op kinderopvangtoeslag: de meerkosten VVE.
**5..** Houders innen zelf de ouderbijdragen en zijn verantwoordelijk voor het risico van niet-betalers.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.9
Berekening van de subsidie
Onderdeel van Subsidieregeling Samenleving Beverwijk