Onder vergunningverlening wordt verstaan het beoordelen en toetsen van aanvragen aan geldende relevante wet- en regelgeving om op die manier te komen tot een kwalitatief goed besluit (zo nodig onder voorwaarden en voorschriften) binnen de gestelde proceduretijd. Ook het beoordelen van de kwaliteit van meldingen, het beoordelen of met een melding kan worden volstaan, principeverzoeken en beoordelen of de activiteit niet vergunningsplichtig is, kan worden gezien als onderdeel van vergunningverlening.
Het Aannemelijkheidscriterium
Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ worden getoetst aan de voorschriften uit het (nu nog) bestemmingsplan, de gemeentelijke bouwverordening (mits van toepassing) en het Bouwbesluit 2012 (tot 1 januari 2024). De wetgever heeft de bouwtechnische voorschriften uit het Bouwbesluit niet gedifferentieerd naar zwaarte. Net als bij andere gemeenten is het door het ontbreken van de financiële middelen en capaciteit ook voor de gemeente Beek niet mogelijk om alle voorschriften even uitputtend te toetsen (integrale bouwbesluittoetsing). Ook vraagt niet elk gebouw/bouwwerk om dezelfde mate van controle en de bouwplannen lopen zeer uiteen. Iedere technische bouwplantoetser toetst op basis van zijn eigen ervaring en professionaliteit. Op de ‘werkvloer’ wordt bepaald hoe diepgaand een bouwplan wordt getoetst aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, Bbl per 1 januari 2024. De basis hiervoor is de format landelijke bouwbesluitmatrix van de vereniging BWT en BRIS. De Beekse bouwplantoetsers maken gebruik van de gegenereerde checklisten van het BRIS-warenhuis. De verschillende toetsniveaus zijn hier al in verwerkt. Voor de toetsmatrix zie bijlagen 6 en 7.
Als gevolg van dit abonnement bij het BRIS-warenhuis kan de gemeente zich, gemotiveerd, beperken tot het toetsen van die aspecten die landelijk het risicovolst worden geacht. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de regelgeving ligt bij de marktpartijen (zorgplicht). Inwoners en bedrijven worden geacht op de hoogte te zijn van wet- en regelgeving en hebben de primaire verantwoordelijkheid zich hieraan te houden. De opdrachtgever van een bouwproject is ervoor verantwoordelijk dat de bouwwerkzaamheden goed en veilig worden uitgevoerd. Deze verantwoordelijkheid kan niet door de gemeente worden gedragen, want de gemeente heeft geen dagelijks toezicht op alle gebouwen en bouwwerken gedurende de hele dag/het hele jaar. Vanaf 2024 zal deze verantwoordelijkheid deels worden overgenomen door de kwaliteitsborger (Wkb).
Een gebouw moet altijd voldoen aan de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 (artikel 2 Woningwet), dadelijk de Bbl onder de Omgevingswet. De aanvrager van een vergunning is verantwoordelijk voor het indienen van een correcte en volledige aanvraag. Het bevoegd gezag moet beoordelen of de bij de aanvraag om omgevingsvergunning overgelegde gegevens aannemelijk zijn, d.w.z. dat de bouwactiviteit voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 (artikel 2.10, lid 1 Wabo). Door dit aannemelijkheidscriterium te hanteren kan de diepgang van de toetsing van een bouwplan variëren en wordt de verantwoordelijkheid voor het bouwplan expliciet bij de aanvrager neergelegd. Deze eigen verantwoordelijkheid van de marktpartijen legitimeert de gemeente om zich te beperken tot het toetsen van die onderdelen van het Bouwbesluit 2012, die landelijke belangrijk worden geacht. Onder de Wkb gaat dit deels veranderen.
De Wabo bepaalt in welke gevallen inwoners en bedrijven een omgevingsvergunning nodig hebben. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan bij één loket worden aangevraagd. Er geldt daarbij één procedure waarop één besluit volgt voor mogelijk meerdere activiteiten (geïntegreerd). De initiatiefnemers van vergunningaanvragen zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het indienen van een complete aanvraag. Ook zijn de initiatiefnemers zelf verantwoordelijk voor het creëren van draagvlak c.q. acceptatie van de voorgenomen plannen bij belanghebbenden, zoals buren. Uiteraard kan de gemeente hierbij desgewenst adviseren.
Daarnaast mag van inwoners en bedrijven worden verwacht dat zij zelf ook verantwoordelijkheid nemen om problemen op te lossen. Bij vergunningverlening worden activiteiten preventief getoetst. Hierbij worden de wettelijke (indienings-) eisen van onder meer het Besluit omgevingsrecht, de Ministeriële regeling omgevingsrecht en de Wabo gehanteerd. Aan een (welstand)commissie (voor Beek de dorpsbouwmeester) wordt advies gevraagd bij omgevingsaanvragen voor bouwen en voor het wijzigen van een monument wordt een monumentencommissie aangesteld.
Bij het beoordelen van vergunningaanvragen wordt gezocht naar de mogelijkheden om de aangevraagde activiteiten te vergunnen. De focus ligt op het zoeken naar wegen en oplossingen om binnen de wet, rekening houdend met de wensen van de aanvrager en de omgeving, de activiteiten mogelijk te maken (ja, mits).
Wij streven naar vergunningen die helder, duidelijk, goed handhaafbaar en niet voor meerdere uitleg vatbaar zijn en daardoor de rechterlijke toets kunnen doorstaan. Dat doen we door het gestructureerd, tijdig en rechtmatig uitvoeren van integrale vergunningverlening conform wettelijke landelijke kwaliteitscriteria, richtlijnen en normen, lokale voorschriften en - beleidsregels. Voor ons is het uitgangspunt het voorkomen van het van rechtswege verlenen van vergunningen als gevolg van overschrijding van wettelijke afhandelingstermijnen van aanvragen.
In de Wabo zijn bovendien regels opgenomen voor het intrekken van vergunningen. Wij willen na verloop van een bepaalde periode (maximaal 2 jaar) omgevingsvergunningen geheel of gedeeltelijk intrekken om te voorkomen dat een stuwmeer aan ongebruikte omgevingsvergunningen ontstaat. E.e.a. is ook nodig omdat we leven in een veranderende wereld. De eisen aangaande bijvoorbeeld duurzaamheid worden de komende jaren steeds verder aangescherpt. Een omgevingsvergunning volgens de eisen 2023 kan eigenlijk in 2030 niet meer worden uitgevoerd. Denk hierbij ook aan milieutechnische aspecten of zelfs in strijd met nieuwe (planologische) regels.
Voor bouw- en aanlegactiviteiten geldt dat als met de uitvoering van de werkzaamheden is gestart en deze tussentijds zijn gestaakt, de wettelijke termijn van 26 weken (na constatering van gestaakte werkzaamheden) wordt gehanteerd. De procedure tot intrekking van de vergunning vindt plaats op grond van de geldende wettelijke voorschriften. Voordat tot intrekking van de vergunning wordt overgegaan, wordt de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Het college van burgemeester en wethouders blijft bevoegd om af te wijken van deze beleidsregels, vooral wanneer deze voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen of als sprake is van urgentie en/of zwaarwegende planologische of maatschappelijke belangen.
Vanaf 2024 volgt dezelfde procedure, maar dan op basis van de Omgevingswet met bijbehorende besluiten.
Relevant in dit kader zijn:
Het raadsbesluit omtrent het verzwaard adviesrecht;
Het raadsbesluit omtrent de richtlijn Omgevingsdialoog;
Het Handboek omgevingsoverleg met werkafspraken’ (1 ingang, intake-/omgevingstafel, proces)
De Richtlijn van toepassing verklaring uitgebreide procedure onder de Omgevingswet
Deze stukken zijn opgenomen in de bijlagen.