**1..** Voor een belanghebbende die op de dag van beëindiging van het onderwijs of de beroepsopleiding kan worden aangemerkt als uitwonend als bedoeld in artikel 3.18 van de Wsf 2000, vindt een verlaging plaats van 10% van de gehuwdennorm gedurende zes maanden na het tijdstip van de beëindiging aan onderwijs of een beroepsopleiding.
**2..** Voor een belanghebbende die op de dag van beëindiging van het onderwijs of de beroepsopleiding kan worden aangemerkt als thuiswonend als bedoeld in artikel 3.18 van de Wsf 2000, vindt een verlaging plaats van 20% van de gehuwdennorm gedurende zes maanden na het tijdstip van de beëindiging aan onderwijs of een beroepsopleiding.
Toelichting
Deze verlaging wordt niet toegepast bij belanghebbenden van jonger dan 21 jaar en wanneer de kostendelersnorm is toegepast (vanwege artikel 3.1).
Er is gekozen voor een verlaging van 10% van de gehuwdennorm voor uitwonende voormalig studenten, en voor een verlaging van 20% van de gehuwdennorm voor thuiswonende voormalig studenten, omdat deze percentages aan verlaging de situatie van de ontvangst van studiefinanciering het meest benaderen.
Het toepassen van een verlaging voor schoolverlaters heeft namelijk als doel om instroom in de bijstand door schoolverlaters minder aantrekkelijk te maken, door er in ieder geval voor te zorgen dat de hoogte van de bijstandsuitkering nagenoeg gelijk is aan het totale recht op Wsf 2000 dat de ex-studerende ontving.
De bedragen Wsfa 2000 waar in de bijstand rekening mee wordt gehouden, staan vermeld in artikel 3:18 Wsf 2000.
Let op! Voor de vaststelling van de ondergrens van de schoolverlaterskorting moet worden uitgegaan van het bedrag voor levensonderhoud van artikel 3.18 Wsf 2000, vermeerderd met het bedrag van de reisvoorziening in rentedragende studielening (zie ECLI:NL:CRVB:2020:624). De verlaging conform deze beleidsregels mag dus niet leiden tot een lagere bijstandsnorm dan dat bedrag.