In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Voor de volledigheid wordt hier nog benadrukt dat het college slechts een individuele voorziening toekent, wanneer andere oplossingen ontoereikend zijn. Dit betekent dat het eigen probleemoplossend vermogen van ouders en jeugdigen centraal staat (zoals in lid 1 tot uitdrukking komt). Verder wordt gedurende het onderzoek nadrukkelijk gekeken naar de mogelijkheden voor jeugdigen en ouders om aanspraak te kunnen maken op andere, voorliggende voorzieningen (lid 1 onderdeel c).
Lid 1
Bij het beoordelen van de problematiek wordt gekeken in hoeverre de eigen mogelijkheden van de jeugdige, zijn ouders en hun omgeving toereikend zijn om (al dan niet gedeeltelijk) een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Onderdeel van die eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen is gebruikelijke hulp (zie voor dit begrip de toelichting bij artikel 7 onderdeel f van deze verordening). Voor zover gebruikelijke hulp mag worden verwacht, hoeft geen jeugdhulpvoorziening te worden ingezet. In beleidsregels wordt verder uitgewerkt wanneer sprake is van gebruikelijke hulp. Van ouders mag in voorkomende gevallen ook ‘bovengebruikelijke hulp’ verwacht worden. Dit mag in beginsel verwacht worden wanneer zij beschikbaar zijn om de hulp te bieden en in staat zijn de hulp te bieden, dit geen overbelasting oplevert en hierdoor ook geen financiële problemen in het gezin ontstaan. De nadere uitwerking hiervan kan, indien nodig, plaatsvinden in de beleidsregels. De jurisprudentie biedt al handvaten (CRvB 2019/2362).
Een aanvullende verzekering wordt ook als onderdeel van het eigen probleemoplossend vermogen gezien. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is waarvoor de jeugdige/ouder aanvullend verzekerd is, mag van hen verwacht worden dat ze die verzekering aanspreken. Voor zover de aanvullende verzekering onvoldoende vergoeding biedt, moet het college op grond van de jeugdhulpplicht aanvullen.
Een algemene (vrij toegankelijke) voorziening heeft voorrang boven een individuele voorziening (onderdeel b). Met andere woorden: is er een algemene voorziening beschikbaar die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders, dan hoeft het college geen individuele voorziening meer te treffen.
Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als jeugdige of zijn ouders gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (onderdeel c). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijvoorbeeld Wmo of Wlz). Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1.2 van de Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen.
Lid 2
In dit artikel wordt bevestigd dat het college geen individuele voorziening verstrekt als de problemen op eigen kracht opgelost kunnen worden.
Lid 3
Het college kan volstaan met de voor die situatie goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. Dit betekent dat niet aan alle wensen tegemoet gekomen hoeft te worden.
Lid 4
In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) reeds zelf jeugdhulp ingeschakeld hebben en daarna pas een aanvraag indienen bij het college voor de betreffende hulp. Het artikel benadrukt dat het college niet gehouden is om met terugwerkende kracht een individuele voorziening toe te kennen voor hulp die al is ingezet voordat er een aanvraag is ingediend.
Hulp die is ingezet na het indienen van een aanvraag, maar voor het nemen van het besluit, kan onder de voorwaarden genoemd in het artikel wel toegekend worden. Voorwaarde voor het alsnog verstrekken van een voorziening is dat de jeugdige/ouder op het moment dat ze zich melden, nog steeds tot de doelgroep van de Jeugdwet behoren. Er moet met andere woorden nog steeds sprake zijn van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. Is dat niet het geval, dan heeft college namelijk ook geen jeugdhulpplicht. Verder moet het college nog in staat zijn de noodzaak en passendheid van de ingeschakelde hulp te beoordelen. Indien het college na onderzoek concludeert dat andere hulp hier meer op zijn plek was geweest, hoeft het geen voorziening te verstrekken. Evenmin hoeft het college nog iets te verstrekken als het niet meer mogelijk is deze beoordeling te maken. Het komt dan voor risico van de jeugdige/ouders zelf dat ze zich niet eerder bij het college hebben gemeld.
Lid 5
Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid om de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening verder uit te werken in nadere regels. Specifieke voorwaarden en weigeringsgronden van individuele voorzieningen kunnen in nadere regels verder worden uitgewerkt.
Lid 6
In deze bepaling zijn de criteria opgenomen voor jeugdvervoer: een vervoersvoorziening voor het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid kan deze worden toegekend.
Verder wordt aangegeven dat het college nadere regels kan stellen ten aanzien van jeugdvervoer.
Artikel 13.
Criteria voor individuele voorziening
Onderdeel van Concept Integrale verordening Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Middelburg