Lid 1
Gemeenten hebben de opdracht gekregen om in het sociaal domein te komen tot de – door het Rijk beoogde – integrale uitvoering "over de wetten heen" (ook wel bekend onder het motto 'Eén gezin, één plan, één regisseur'). Daar waar sprake is van een ondersteuningsbehoefte van een persoon of gezin die voortvloeit uit meerdere wetten, draagt het college de verantwoordelijkheid de hulp en ondersteuning op elkaar af te stemmen. Het doel hiervan is effectieve ondersteuning vorm te geven en onnodige of dubbele uitgaven aan ondersteuning te vermijden.
Lid 2
Om specifieker aan te geven over welke wettelijke kaders het gaat, is in het tweede lid een opsomming opgenomen. Enerzijds is dit bedoeld om de afstemming in te kaderen, zodat het niet ondersteuning betreft bij bijvoorbeeld de aanvraag van een rijbewijs of omgevingsvergunning. Anderzijds is het tweede lid bedoeld om de afstemming nadrukkelijk breder te leggen dan alleen de wetten waarover deze verordening gaat. Ook andere wettelijke kaders zijn van belang in het bevorderen van zelfredzaamheid en mogelijkheden mee te doen in de samenleving; zo is bij veel kwetsbare huishoudens sprake van schuldproblematiek die een belemmering kan vormen bij aanpak van andere ondersteuningsvraagstukken. De Wet langdurige zorg (Wlz) is genoemd omdat afstemming hiermee noodzakelijk is bij zeer kwetsbare inwoners, die mogelijk te zwaar zijn om onder gemeentelijk regime te worden ondersteund. Om een voor de inwoner goede overgang van gemeentelijk regime naar Wlz mogelijk te maken, is afstemming noodzakelijk.
Lid 3
Het derde lid geeft een volgordelijkheid aan in de urgentie van hulp en ondersteuning. Dat wil zeggen dat wanneer hulp en ondersteuning vanuit verschillende wettelijke kaders met elkaar conflicteert, of onduidelijk is wat eerst ingezet moet worden, de in dit lid genoemde volgorde bepaalt welke hulp en ondersteuning prevaleert. Hierbij staat veiligheid voorop. Ook zal een crisis eerst gestabiliseerd moeten worden, voordat andere vormen van hulp en ondersteuning enig effect kunnen hebben. Hierom is stabilisatie van crisis belangrijker dan inzet van andere hulp en ondersteuning wanneer sprake is van samenloop. Als de situatie is gestabiliseerd is zelfredzaamheid het belangrijkste doel van hulp en ondersteuning, zoals het verkrijgen van eigen inkomen, het kunnen zorgen voor je eigen kinderen of het kunnen voeren van een eigen huishouden. Meedoen in de samenleving is ook een doel, dat veelal gelijktijdig met hulp en ondersteuning voor zelfredzaamheid wordt ingezet. Het is echter van onderschikt belang aan het verkrijgen van voldoende zelfredzaamheid. Dus mochten hier conflicten ontstaan, dan wijkt hulp en ondersteuning voor meedoen in de samenleving ten gunste van eerder genoemde doelen.
Lid 4
Bij het bepalen welke hulp en ondersteuning wanneer nodig is, beziet het college in ieder geval de in het vierde lid genoemde zaken. Dat betekent dat gekeken wordt wat iemand zelf kan, of eventueel met behulp van zijn eigen netwerk kan oplossen. De volgorde van hulp en ondersteuning is ook van belang, omdat een voorziening randvoorwaardelijk kan zijn voor succes van een andere voorziening. Daar waar hulp en ondersteuning gelijktijdig ingezet kan worden, gebeurt dit, tenzij dit de effectiviteit van de totale inspanningen vermindert. Daar waar voorzieningen gelijktijdig ingezet moeten worden, bijvoorbeeld om voldoende zelfredzaamheid te houden, gebeurt dit uiteraard. Ook wordt gekeken naar welke hulp op lange termijn de minste kosten met zich meebrengt. Als lange termijn moet gezien worden een tijdspanne van in ieder geval enkele jaren. Onder kosten wordt verstaan die kosten die de lokale samenleving moet dragen. Het college is immers verantwoordelijk voor de lokale samenleving. Dit betekent dus niet dat ernstig beperkte personen onthouden moet worden een beroep te doen op de Wet langdurige zorg. Sterker, het regime van de Wlz moet worden toegepast wanneer dit kan, omdat hierdoor middelen voor de lokale samenleving beschikbaar komen. Inwoners met zware zorg, drukken immers sterk op het gemeentelijk budget in het sociaal domein en wanneer zij onder de Wlz kunnen vallen, kan dit budget anders worden ingezet ten gunste van inwoners van Middelburg. Dat is geen afwenteling, aangezien de Wlz een eigen toegang kent met een strenge selectie die niet door het college kan worden beïnvloed. Alleen personen die ook echt aan de criteria van de Wlz voldoen, zullen worden toegelaten.
Lid 5
Deze motivering is ook reden voor het opnemen van het vijfde lid van deze verordening. Het is geen keuzevrijheid van inwoners in hoeverre zij gebruik maken van de Wlz. De Wlz is voorliggend, ook al is het een voorziening voor de meest hulpbehoevenden. Uiteraard is het ingaan van een traject voor aanvraag van Wlz een ingrijpende beslissing, die veelal afweging vergt. Vandaar dat het college de in het vijfde lid genoemde ondersteuning bieden. Tevens is een aanvraag een ingewikkeld traject en heeft het college belang bij een goed onderbouwde aanvraag. De ondersteuning is daarom ook niet vrijblijvend. Als de ondersteuning nodig geacht wordt, wordt deze ingezet. In de praktijk zijn inwoners vaak blij met de geboden ondersteuning in dit ingewikkelde traject.
Lid 6
De in het zesde lid genoemde bepaling is opgenomen om te voorkomen dat de inwoner zelf bepaalt of gebruik wordt gemaakt van de Wlz of van gemeentelijke hulp of ondersteuning. In dit lid staat de mogelijkheid van het college om, ongeacht dat er behoefte is aan ondersteuning, deze toch niet te bieden omdat op een andere wettelijk kader een beroep zou kunnen worden gedaan. Uiteraard kan niet lichtzinnig een beroep worden gedaan op dit lid en zal voorafgaand aan dit besluit een uitgebreid traject moeten zijn doorlopen. Ook zullen de gegronde redenen op basis waarvan wordt verondersteld dat recht is op Wlz goed moeten worden onderbouwd.
Lid 7
Tot slot staat in het zevende lid de afstemming tussen het wettelijk kader voor jeugdigen en de wettelijke kaders voor volwassenen. Om bij een hulpbehoevende inwoner een goede overgang te hebben van hulp voor het achttiende levensjaar, naar ondersteuning daarna, wordt al voor het achttiende jaar gekeken naar wat vanaf het achttiende jaar nodig is aan ondersteuning. Dit geldt voor jeugdigen die hulp ontvangen vanuit de Jeugdwet, niet voor alle jongeren. Ook wordt vanaf het zestiende jaar al gekeken welke hulp ingezet moet worden om vanaf het achttiende jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden. Dit kan bijvoorbeeld gaan om opleiding om de kansen op werk te bevorderen, maar ook om het leren een eigen huishouden te runnen, als de jongere langdurig niet meer bij zijn ouders woont, of om individuele begeleiding om een opleiding af te kunnen ronden.
Doel hiervan is een soepele overgang in regimes om te voorkomen dat er overgangsproblemen ontstaan die tot problemen leiden voor de jongere of die resultaten van ingezette hulp voor het achttiende levensjaar deels teniet zou doen. Ook is het doel om langdurige ondersteuning na het achttiende jaar zo minimaal als mogelijk te laten zijn. Wanneer inzet bij de minderjarige kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het achttiende jaar, heeft dit de voorkeur. Dit vraagt wel extra bewustwording bij jeugdige, ouders en hulpverleners.
Artikel 2.
Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning
Onderdeel van Concept Integrale verordening Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Middelburg