In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel b van de wet). In de Memorie van toelichting is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39). Hiermee heeft de gemeente Middelburg de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb.
Lid 1
In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor een zaak. Met de definitie van zaak wordt aangesloten bij de definitie uit artikel 3:2 BW: ‘Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten’. In de zin van deze verordening kan dan bijvoorbeeld gedacht worden aan een scootmobiel of woningaanpassing. Het maximale tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven. Als de cliënt aangeeft dat de voorziening voor een lager tarief ingekocht kan worden, mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft met een leverancier, wordt de hoogte van het pgb op offertebasis bepaald.
Lid 2
Het pgb voor vervoer wordt afgeleid van de natura-voorziening die hiervoor beschikbaar is, namelijk het collectief vervoer.
Lid 3
In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor formele hulp, zoals volgt uit artikel 35. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief.
Lid 4
Voor huishoudelijke ondersteuning geldt een afwijkend tarief. Er wordt aangesloten bij het laagste tarief waarvoor huishoudelijke ondersteuning geboden kan worden door een particuliere aanbieder.
Lid 5
Bij het inzetten van een pgb voor informele hulp, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In deze bepaling is dan ook geregeld dat het informeel pgb-tarief wordt vastgesteld op het wettelijk minimumloon. De cliënt kan daarmee altijd aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief op basis van het wettelijk minimumloon ook passend.
Lid 6
In deze bepaling is vastgelegd dat voor de ondersteuning ‘kortdurend verblijf’ maximaal het tarief geldt dat dat is afgesproken met de aanbieder waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten.
Lid 7
In lid 7 zijn een aantal kostenposten genoemd die in ieder geval niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening.
Lid 8
Het college moet bij ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde voorziening kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen voorziening bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Dit uitgangspunt sluit aan bij jurisprudentie over de hoogte van het pgb (CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO).
Lid 9
De minister van VWS is van mening dat zorg en ondersteuning die vanuit sociale en morele overwegingen wordt verricht via een pgb, niet aangemerkt zou moeten worden als een arbeidsrelatie waarop de Wml van toepassing is. Met de ministeriële regeling voor hulp uit het sociaal netwerk bestaat per 1 mei 2019 de mogelijkheid om de verstrekking van vergoedingen voor informele hulp uit een pgb, zo te regelen dat er niet ongewenst een arbeidsrelatie ontstaat. Op basis van deze regeling kunnen budgethouders aan hun informele hulpverlener, vanuit het pgb een tegemoetkoming of vergoeding voor gemaakte kosten geven. Deze tegemoetkoming/onkostenvergoeding valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht.
De gemeente heeft ervoor gekozen om deze regeling toe te passen door aan budgethouders die geen arbeidsrelatie met hun informele hulpverlener wensen, de mogelijkheid te bieden om per kalendermaand een vaste tegemoetkoming en tegemoetkoming voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten te verstrekken. Deze tegemoetkoming valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht.
De budgethouder moet een verklaring indienen bij de SVB om de tegemoetkoming uit te laten betalen aan zijn hulpverlener. Een budgethouder mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel een verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen. De budgethouder moet dus de keuze maken tussen het verstrekken van een tegemoetkoming/onkostenvergoeding aan zijn informele hulpverlener, of het sluiten van een overeenkomst met zijn hulpverlener waarop de Wml van toepassing is.
Lid 10
Om te verzekeren dat ook bij al toegekende pgb’s altijd een toereikend tarief wordt toegekend is het van belang om de lopende pgb’s jaarlijks te indexeren. De indexering gebeurt op basis van de consumentenprijsindex (cpi) die jaarlijks wordt gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Lid 11
Op basis van deze bepaling kan het college nadere regels vaststellen over de hoogte van het pgb.
Artikel 36.
Hoogte pgb
Onderdeel van Concept Integrale verordening Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Middelburg