Teelaarde, zand, funderingsmateriaal en overige bouwstoffen moeten elk gescheiden worden ontgraven en opgeslagen.
Bij het aanvullen van opbrekingen moeten de grondsoorten en de bouwstoffen worden aangebracht in de oorspronkelijke lagen en laagdikten. Aanvoeren en leveren van tekortkomende materiaal is voor rekening van de netbeheerder.
Daar waar puin aangetroffen wordt in de ondergrond (in het buitengebied is de kans hierop zeer groot), wordt deze weer teruggeplaatst in de sleuf (indien niet groter dan 50mm). Indien dit niet wenselijk is wordt het puin afgevoerd op kosten van de netbeheerder. Eventueel vervangende materialen worden op kosten van de netbeheerder aangevoerd en verwerkt. Daar waar puin in de bermen wordt aangetroffen dient extra rekening gehouden te worden met het afrapen van het puin om schade aan maaimaterieel te voorkomen. Puin groter dan 30 mm dient te worden afgeraapt.
De werkzaamheden worden uitgevoerd in een droge sleuf.
Indien voor het onttrekken van grondwater een vergunning of melding vereist is, moet de netbeheerder zorg dragen voor de verkrijging hiervan bij het bevoegd gezag. De netbeheerder draagt de kosten voor het verkrijgen en het voldoen aan de bepalingen van deze vergunning of melding.
Aanvullingen moeten laagsgewijs in maximale lagen van 30 cm worden verdicht (zie ook punt 12).
De verdichting van de aanvulling, genoemd in het vorige lid van dit artikel, dient in aanvankelijke staat te worden gebracht. Om dit resultaat te bereiken moet er laagsgewijs mechanisch worden verdicht. Indien dit niet mogelijk is dient er schoon zand te worden aangevoerd.
Indien de gemeente van mening is de uitkomende grond vervangen dient te worden omdat deze niet voor aanvulling/verdichting geschikt is dan:
stelt de gemeente de benodigde materialen (zand of teelaarde) beschikbaar;
geschied de aan- en afvoer van vrijkomende materialen voor rekening van de netbeheerder
geschied de verwerking van de beschikbaar gestelde materialen voor rekening van de netbeheerder;
De proctordichtheid van de aanvullingen onder de verhardingen mag na verdichting niet meer dan 3 % in negatieve zin afwijken van de oorspronkelijke proctordichtheid zoals deze op korte afstand naast de opbreking wordt aangetroffen.
De verdichtingsgraad van zand dat in aanvullingen onder verhardingen is verwerkt moet tenminste:
98% bedragen van het zandbed van rijbanen en voet- en fietspaden op zandondergrond en van rijbanen op klei-ondergrond;
97% bedragen voor het zandbed van rijbanen op veenondergrond en voet- en fietspaden op klei-ondergrond;
96% bedragen voor het zandbed van voet- en fietspaden op veenondergrond.
Grond die in aanvulling is verwerkt in beplantingsvakken of onder gras op een diepte van minder dan 80 cm, mag na verdichting een conuswaarde hebben van maximaal 2,0 N/mm2.
Bij het verdichten van grond in beplantingsvakken of onder gras mag geen verkneding of structuurbederf optreden.
Hoofdstuk 4
Artikel 22.
Grondwerk
Onderdeel van Nadere Regels Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren gemeente Het Hogeland 2023