Naar hoofdinhoud

Artikel 10.

Handhaving verplichtingen bij de brede intake

Onderdeel van Beleidsregels Inburgering 2023 Opmeer

1.. In opdracht van de gemeente handhaaft het RIT de verplichtingen bij de brede intake. 2.. Wanneer de inburgeraar niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake, geeft het RIT een schriftelijke waarschuwing zoals genoemd in artikel 14 lid 1 van de Wet inburgering 2021. 3.. Wanneer de inburgeraar na de schriftelijke waarschuwing niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt, legt het RIT in overeenstemming met het gestelde in art. 3.1.1 van de nota van toelichting op het Besluit een boete op. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 7.1 lid 1 van het Besluit inburgering 2021. 4.. Voordat het RIT een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de inburgeraar niet komt of onvoldoende meewerkt. De inburgeraar krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de inburgeraar niet verschijnt bij dit gesprek, biedt het RIT hem of haar de gelegenheid zijn of haar zienswijze binnen twee weken kenbaar te maken. 5.. Het RIT legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat verwijtbaarheid ontbreekt. 6.. Het RIT kan op grond van Artikel 5:46, derde lid, van de Awb een lagere bestuurlijke boete opleggen indien de inburgeringplichtige aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. 7.. Het RIT stelt in de boetebeschikking een nieuwe termijn van ten hoogste twee maanden waarbinnen de inburgeringsplichtige na het bekendmaken van de boetebeschikking alsnog geacht wordt te verschijnen of medewerking te verlenen. 8.. Het RIT legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige als deze niet is verschenen of onvoldoende meewerkt binnen de op grond van het in het zesde lid vastgestelde termijn. Wanneer de inburgeraar ook na deze boete niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake, voltooit het RIT de brede intake in afwezigheid van de inburgeraar. De tweede en derde volzin van het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel