De gemeenteraad delegeert de bevoegdheid tot vaststelling van delen van het omgevingsplan in de volgende gevallen aan het college van burgemeester en wethouders:
wijzigingen van technische aard;
wijzigingen die noodzakelijk zijn vanwege gewijzigde hogere wet- of regelgeving;
wijzigingen in de toelichting van het omgevingsplan;
het verwerken van omgevingsvergunningen nadat deze onherroepelijk in werking zijn getreden;
wijzigingen die passen binnen wijzigingsbevoegdheden ex artikel 3.6, lid 1, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening zoals deze zijn opgenomen in van rechtswege in het Omgevingsplan opgenomen bestemmingsplannen;
uitwerkingen die passen binnen wijzigingsbevoegdheden ex artikel 3.6, lid 1, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening zoals deze zijn opgenomen in van rechtswege in het Omgevingsplan opgenomen bestemmingsplannen;
het vertalen van vastgesteld beleid in het omgevingsplan als bij vaststelling van het beleid akkoord is gegeven dat het college het betreffende beleid verder uitwerkt in beleidsregels;
het corrigeren van verschrijvingen en verkeerde verwijzingen in het omgevingsplan;
het toevoegen van die onderdelen uit de gemeentelijke verordeningen die beleidsneutraal overgeheveld gaan worden naar het omgevingsplan;
het nemen van een voorbereidingsbesluit met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen regels.