De leden van de commissie kunnen ten hoogste voor een termijn
van drie jaar worden benoemd.
In afwijking van het gestelde in het vorige lid kunnen de leden
eenmaal worden herbenoemd voor een periode van drie jaar.
De leden van de commissie blijven bij het verstrijken van de in
de voorgaande leden genoemde benoemingstermijn hun functie
vervullen totdat in de opvolging is voorzien. In het belang van
continuïteit worden leden alternerend benoemd en treden
overeenkomstig af.
Bij het ontstaan van een vacature in de commissie kan de
stichting een voorstel doen tot aanbeveling aan het
districtsbestuur.
Het districtsbestuur kan een tijdelijke voorziening treffen in
het belang van de continuïteit van de samenstelling van de
commissie.
Hoofdstuk
Artikel 8