Als er gekeken wordt naar het landschap in de gemeente Voerendaal, is er een onderscheid te maken tussen de beekdalen, de plateaus en de “bergen”. Gelet op de beperkingen die opgelegd zijn blijft een klein deel over van de Voerendaalse plateaus. Om hierover een nadere afweging te kunnen maken, zijn voor deze locaties de volgende vragen gesteld:
**•.** Gaan landschappelijke inbedding Energietuinen en dorpsmanteling samen?
**•.** Bepaalt de landschappelijke inbedding of het reliëf de zichtbaarheid van de Energietuin?
**•.** Belemmert landschappelijke inpassing van de Energietuin het weidse uitzicht?
Beantwoording van deze vragen heeft geresulteerd in een kaart met meerdere zoekgebieden die in op 11 maart 2021 door de Raad van de gemeente Voerendaal is vastgesteld (zaak 157162 raadbesluit t.a.v. het Regionaal Afwegingskader Grootschalige Duurzame Energieopwekking (RAK) en de Nadere Uitwerking Gemeente Voerendaal)..
De Zoekgebiedenkaart is met uiterste zorg opgesteld. Het is echter niet mogelijk om met een generieke benadering alle lokale vragen te beantwoorden. Per initiatief moet dan ook afzonderlijk gekeken worden of de beantwoording van de vragen met lokale informatie aangepast moet worden.
Door het vaststellen van de kaart met zoekgebieden wordt het grootste deel van Voerendaal uitgesloten van Energietuinen. Voor de locaties die over blijven moet gekeken worden welke effecten de initiatieven hebben, zoals:
**•.** Wat is de visuele impact van de Energietuin?
**•.** Moet deze zichtbaar zijn of juist niet?
**•.** Welke transformatie ondergaat de locatie?
**•.** Is er sprake van concurrentie van landgebruik?
**•.** Hoe verhoudt het huidige gebruik zich met het toekomstige gebruik?
Omliggend natuurnetwerk
Bij de lokale inpassing wordt rekening gehouden met het omliggende natuurnetwerk. De terreininrichting sluit daarbij niet alleen aan, maar zorgt voor een versterking van de ecologische verbindingen. Er mogen daarbij geen negatieve gevolgen zijn voor de buurpercelen. Zo dient minimaal 300 meter afstand gehouden te worden van weidevogelgebieden en is de landschappelijke inbedding rondom de Energietuin zo vormgegeven dat dit deel toegankelijk is voor grotere soorten zoals het ree.
Verder is het gehele terrein toegankelijk voor de kleinere grondgebonden diersoorten en worden voorzieningen (niet zijnde beplantingen) aangebracht om lokale soortengroepen te bevorderen. Ook wordt inzichtelijk gemaakt welke voorzieningen getroffen worden om een bijdrage te leveren aan de instandhouding en versterking van de in en om het gebied aanwezige lokale populatie zoogdieren, vogels, reptielen of amfibieën. Daarnaast dient gekeken te worden naar ecologische gradiënten die de diversiteit versterken. Daarbij moet minimaal met vier gradiënten gewerkt worden. Op basis van onderzoek moet de betreffende inrichting onderbouwd worden.
Om de ontwikkeling hiervan op korte, middellange en lange termijn te waarborgen, dienen afspraken vastgelegd te worden met lokale partijen en/of bewoners t.b.v. het monitoren van de biodiversiteit en maatregelen ter bescherming of versterking daarvan.
Verhouding huidig en toekomstig gebruik
De genoemde zoekgebiedenkaart vormt de basis voor de locatiekeuze van de Energietuinen. Hierbij is geen onderscheid gemaakt als het gaat om de biodiversiteit op de betreffende locatie. Ondanks dat dit niet meegenomen is bij het opstellen van de kaart heeft dit wel invloed op verschillende onderwerpen binnen dit kader. De verhouding tussen het huidige gebruik en het gebruik na het verwijderen van de Energietuin is hier één van. De Energietuin is een tijdelijke bestemming. Daarmee kan gesteld worden dat de locatie teruggebracht moet worden in de staat waarin deze nu verkeerd. Daarmee wordt het toekomstige gebruik gegarandeerd. In samenspraak met de eigenaar kan gekeken worden in hoeverre de “nieuwe” natuur behouden kan worden.
Zicht vanuit de omgeving
De landschappelijke inpassing zorgt ervoor dat de Energietuin, indien dit een beargumenteerde wens is van de omgeving (betreffende bebouwing), aan het zicht onttrokken wordt. Hierbij spelen de omgeving, de hoogtelijnen op het perceel van het initiatief en de opstelling van de panelen een grote rol. Hiervoor is er bij elk initiatief sprake van maatwerk. Om een gelijk kader te hanteren worden verschillende basis zichtlijnen en afstanden gehanteerd.
**•.** Om ervoor te zorgen dat er altijd een horizontale zichtlijn blijft, is de maximale hoogte van de zonnepanelen inclusief opbouw 1,70 meter. Dit geldt ook bij een glooiend perceel.
**•.** Voor eerstelijns bebouwing binnen 200 meter van de rand van het initiatief dient de Energietuin door middel van begroeiing (haag of vergelijkbaar) geheel aan het zicht onttrokken te worden voor de zichtlijn “begane grond”. Hierbij wordt een hoogte aangehouden van 1,70 meter vanaf maaiveld bij de bron (eerstelijns bebouwing wordt gedefinieerd als: bebouwing van waar direct zicht is op de opbouw van de Energietuin. Hierbij wordt uitgegaan van een maximale zichtlijn vanaf de woning van 4,70 meter).
**•.** Voor eerstelijns bebouwing binnen 200 meter van de rand van het initiatief dient de Energietuin door middel van begroeiing (bomenrij of vergelijkbaar) deels aan het zicht onttrokken te worden voor de zichtlijn “eerste verdieping”. Hierbij wordt een hoogte aangehouden van 4,70 meter vanaf maaiveld bij de bron.
**•.** Voor de omgeving binnen een straal van 500 meter van de rand van het initiatief dient de Energietuin door middel van begroeiing deels aan het zicht te worden onttrokken.
Van de genoemde kaders kan in samenspraak met de omgeving afgeweken worden om zo eventueel een open zichtveld te creëren.
De Initiatiefnemer maakt door middel van 3D-visualisaties of modellen inzichtelijk hoe de Energietuin is ingepast in het omringende landschap.
Hoofdstuk › Paragraaf 3
Artikel 3.5.2
Wat zeg de gemeente Voerendaal over het landschap
Onderdeel van ENERGIETUINEN VOERENDAAL Een beoordelingskader voor de ontwikkeling van energietuinen in Voerendaal