Naar hoofdinhoud
De juiste beheervorm is essentieel voor het behouden en versterken van de biodiversiteit. Bij het onderhoud dient uitgegaan te worden van het resultaat. Daarvoor dient resultaatgericht maaibeheer uitgevoerd te worden. Het beheer is gericht op het versterken van de biodiversiteit en houdt rekening met de vier V's (voedsel, veiligheid, voorplantingsmogelijkheden en variatie). Voor de kruiden- en grasvegetaties geldt, dat de eerste vijf jaar in het teken staan van verschraling van de bodem door het toepassen van een maai- en afvoerregime. Daarnaast bevat het beheerplan een paragraaf die ingaat op de omgang met Reuzenberenklauw en Japanse duizendknoop. Wordt de voedselrijke toplaag bij aanleg niet afgegraven, dan dient het beheer zorg te dragen voor verschraling. Daarvoor dient het maaisel in de eerste vijf jaar afgevoerd te worden. Richtlijn is daarbij 3x maaien per jaar. Het maaibeheer wordt gefaseerd uitgevoerd ten behoeve van behoud insectenrijkdom. Een deel van de vegetatie dient daarvoor ongemaaid te overwinteren. Ook kan ‘sinusbeheer’ worden toegepast. Bij schapenbegrazing mag alleen gewerkt worden met drukbegrazing, waarbij het zonnepark in minimaal 3 vakken verdeeld wordt die om de beurt circa 1 maand begraasd worden. Dit is vergelijkbaar met het begrazingsbeheer op de helling-schraallanden. Bij een machinaal machinepark gaat de voorkeur uit naar gebruik van een elektrisch machinepark.

Rechtspraak bij dit artikel