Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Ontstaan van de belastingschuld en heffing naartijdsgelang

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolrechten Meerssen 2009

De rechten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Indien de belastingplicht met betrekking tot het eigendom voor het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, in de loop van het belastingjaar aanvangt, is het recht verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht met betrekking tot het eigendom voor het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Ontheffingen van minder dan € 9,08 worden niet verleend. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander eigendom in gebruik neemt. Belastingaanslagen van minder dan € 9,08 worden niet opgelegd. Voor toepassing van het bepaalde in het vierde lid wordt het totaal van de op één verminderingsbeschikking verenigde ontheffingen rioolrechten, afvalstoffenheffing, reinigingsrechten en hondenbelasting als één ontheffing aangemerkt. Voor toepassing van het bepaalde in het zesde lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerende-zaakbelastingen en andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel