Onder de Omgevingswet blijft de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid voor de toepassing van grond en baggerspecie in de vorm van Lokale Maximale Waarden bestaan. Dit kan door middel van maatwerkregels in het omgevingsplan (artikel 4.1273). De specifieke voorwaarden en beperkingen voor het stellen van maatwerkregels en -voorschriften voor de kwaliteitseisen waaraan grond of baggerspecie moet voldoen, zijn beschreven in paragraaf 4.124 van het Bal. De mogelijkheden tot maatwerk zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.
Figuur 9: Mogelijkheden tot maatwerk onder de Omgevingswet
In paragraaf 4.124 van het Bal staat dat met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 4.1272 eerste en tweede lid, alleen wordt toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast. Een andere voorwaarde is dat met een maatwerkregel of maatwerk-voorschrift het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigde stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen is toegestaan indien:
De toe te passen grond of baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof verontreinigd is;
De grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof verontreinigd was.
Hoofdstuk 17 › Paragraaf 17.2
Artikel 17.2.1
Gebiedsspecifieke toepassingskader onder de Omgevingswet
Onderdeel van Nota bodembeheer