Voor het tijdelijk gebruik van gronden of bouwwerken geldt:
er dient te zijn aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging, waarbij in ieder geval is onderzocht of sprake is van belemmeringen ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat, bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en opstallen, stedenbouw, landschappelijke inpasbaarheid, verkeer, parkeren en milieu.
een beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit heeft plaatsgevonden zoals bedoeld in artikel 5.16, lid 1 van de Wet Milieubeheer, waarbij aannemelijk is gemaakt dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet:
geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
indien sprake is van de realisatie van een beperkt kwetsbaar object zoals bedoeld in artikel 1 van het Bevi een beoordeling van de gevolgen voor de externe veiligheid heeft plaatsgevonden, waarbij aannemelijk is gemaakt dat het aan de in de betreffende wet en regelgeving genoemde voorwaarden voldoet;
na het vervallen van de omgevingsvergunning dat de gronden of gebouwen in overeenstemming met de geldende juridisch-planologische situatie worden gebracht.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.12
Artikel 4.12.2
Voorwaarden
Onderdeel van Beleid planologische afwijkingen