Van een niet-ingrijpende ontwikkeling, een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging is in ieder geval sprake in de volgende situaties:
4.4.3.1Erf- en perceelafscheidingen
Algemene regels
Voor het bouwen van erfafscheidingen, poorten en poeren voor de voorgevel gelden de volgende algemene regels:
de afstand van de voorgevelrooilijn tot aan de openbare weg bedraagt minimaal 7 meter;
in beschermde stads- en dorpsgezichten, en bij gemeentelijke- en rijksmonumenten moeten deze in overeenstemming zijn met de monumentale waarde van de omgeving en/of het gebouw.
Erfafscheidingen voor de voorgevel
Het bouwen van erfafscheidingen voor de voorgevel is toegestaan, mits:
de bouwhoogte bij erfafscheidingen met een gesloten karakter maximaal 1,1 m bedraagt;
de bouwhoogte bij erfafscheidingen met een open karakter maximaal 1,5 m bedraagt.
Erfafscheidingen op het zijerf
Het bouwen van erfafscheidingen op het naar de openbare weg gekeerde zijerf is toegestaan, mits:
achter (het denkbeeldige verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd;
de bouwhoogte maximaal 2 m bedraagt.
Poorten
Het bouwen van poorten voor de voorgevel is toegestaan, mits:
de bouwhoogte bij poorten met een gesloten karakter maximaal 1,1 m bedraagt;
de bouwhoogte bij poorten met een open karakter maximaal 2 m bedraagt;
Poeren
Het bouwen van poeren voor de voorgevel is toegestaan, mits:
de bouwhoogte bij erfafscheidingen en poorten met gesloten karakter maximaal 1,5 m bedraagt;
de bouwhoogte bij erfafscheidingen en poorten met open karakter maximaal 2 m bedraagt.
4.4.3.2Lichtmastreclame
Algemene eis
Lichtmastreclame (een reclame-uiting in een transparante houder die aan een lichtmast is bevestigd) dient een gelijkvormig beeld te geven en mag geen gevaar opleveren voor de verkeersveiligheid.
Aanvullende eisen
Het bevestigen van lichtmastreclame is toegestaan, mits:
alle lichtmastreclames op dezelfde hoogte, gemeten vanaf het maaiveld tot aan de onderste rand van de houder, worden gehangen:
4,50 m boven de weg;
ca. 3,50 m boven het trottoir gehangen.
de houder van de lichtmastreclame een maatvoering heeft van maximaal 0,70 m (breedte) x 1,0 m (hoogte) x 0,045 m (dikte);
maximaal één houder per lichtmast wordt geplaatst;
in afwijking van lid c mogen maximaal twee lichtmastreclames worden geplaatst aan lichtmasten, die op de middengeleider van een weg staan, met dien verstande dat zij op gelijke hoogte aan weerszijden van de mast worden geplaatst;
het perceel niet is gelegen binnen een van rijks-, provincie- of gemeentewege beschermd dorpsgezicht, een rijksmonument of een gemeentelijk monument;
het perceel is gelegen:
langs de wegtracés genoemd onder A zoals opgenomen in bijlage ‘Gebieden voor lichtmastreclame’ binnen de bebouwde kom, zoals deze op grond van artikel 27 van de Wegenwet is vastgesteld;
langs de wegtracés genoemd onder B zoals opgenomen in bijlage ‘Gebieden voor lichtmastreclame’, indien er redelijkerwijs geen andere locatie voorhanden is en na overleg met het college van burgemeester en wethouders.
in de gemeente in totaal maximaal 50 stuks lichtmastreclames aanwezig mogen zijn.
4.4.3.3Zonnepanelen in veldopstelling voor eigen gebruik
Het opwekken van energie met grondgebonden zonnepanelen voor eigen gebruik bij een (bedrijfs)woning is toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende regels:
de grondgebonden zonnepanelen binnen hetzelfde bouwperceel worden gerealiseerd als de (bedrijfs)woning;
de oppervlakte maximaal 50 m2 bedraagt;
in afwijking van lid b is nogmaals een oppervlakte van maximaal 50 m2 toegestaan indien is aangetoond dat deze nodig is in verband met de energiebehoefte van een warmte koude opslaginstallatie (wko) of warmtepompinstallatie;
in afwijking van lid a zijn grondgebonden zonnepanelen niet toegestaan indien het perceel is gelegen:
op een grafheuvel;
in een ‘beschermd stads- en dorpsgezicht’;
in beschermde historische park- en tuinaanleggen, zoals een landschapspark met solitairen, boomgroepen en open weiden zoals een arboretum of een heidetuin;
in een Natura 2000-gebied;
in het ‘oude engen’ gebied zoals opgenomen in de Welstandsnota;
op de Grebbelinie.
de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan hieronder is aangegeven:
Grondgebonden zonnepaneelinstallaties
Maximum bouwhoogte
Binnen het bebouwingsgebied
2 m
Buiten het bebouwingsgebied (het voorerfgebied)
1 m
4.4.3.4Mestopslag, andere silo’s en kuilvoerplaten
Het buiten een bouwvlak in de agrarische bestemming bouwen van mestopslag, andere silo’s of kuilvoerplaten is toegestaan mits:
ten hoogste één bouwwerk voor mestopslag wordt gebouwd bij elk agrarisch bedrijf, met een oppervlakte van maximaal 50 m2 en een maximum bouwhoogte van 5 m;
andere silo's, dan voor mestopslag, en/of kuilvoerplaten worden gebouwd met een oppervlakte van maximaal 50 m2 per silo, tot een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 250 m² bij elk agrarisch bedrijf, en een maximum bouwhoogte van 2 m;
het bouwwerk direct aansluitend op het bouwvlak wordt gesitueerd;
de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering van situering buiten het bouwvlak is aangetoond;
indien gelegen in een gebied met landschappelijke waarden deze daardoor niet onevenredig worden aangetast;
de inpassing in het landschap op zorgvuldige wijze plaatsvindt, waarbij eisen kunnen worden gesteld betreffende situering en afscherming door beplanting of anderszins.
4.4.3.5Uitzondering beschermd dorpsgezicht
In afwijking van artikel 4.4.3 is geen sprake van een rechtstreeks toelaatbare niet-ingrijpende ontwikkeling indien sprake is van een beschermd dorpsgezicht. Per concreet geval zal worden beoordeeld of de omgevingsvergunning ook daadwerkelijk wordt verleend. Hiervoor wordt advies gevraagd aan de monumentencommissie. Deze toetst de aanvraag aan het aanwijzingsbesluit beschermd dorpsgezicht. Indien het advies positief is kan de omgevingsvergunning verleend worden.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.4
Artikel 4.4.3
Rechtstreeks toelaatbaar
Onderdeel van Beleid planologische afwijkingen