Naar hoofdinhoud
Het college kan bepalen dat aanvragen op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst. Een aanvraag wordt slechts in de rangorde opgenomen als zij ontvankelijk is en dus voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. Bij de rangschikking van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximum aantal: Op ieder toetsingscriterium uit artikel 4 kan maximaal 10 punten gescoord worden; Het toetsingscriterium uit artikel 4.2 heeft een wegingsfactor van 2; Het toetsingscriterium uit artikel 4.5 heeft een wegingsfactor van 2; De minimale score om voor subsidie in aanmerking te komen bedraagt 6 punten op de individuele selectiecriteria. Voorts komen alleen aanvragen met in totaal 42 punten of meer voor subsidie in aanmerking. Wanneer het totaalbedrag van de te honoreren aanvragen hoger is dan het vastgestelde subsidieplafond als bedoeld in artikel 16, verleent het college de subsidie in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, tot en met de aanvraag die nog geheel gehonoreerd kan worden, totdat het voor de betrokken subsidie vastgestelde subsidieplafond is bereikt. Als het subsidieplafond door toepassing van het voorgaande lid wordt bereikt door aanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel