Door de bepaling in het eerste lid benoemt het college voor zichzelf, de raad, de burgemeester en de leerplichtambtenaar de commissieleden.Het college is hiermee ook het orgaan dat indien nodig het functioneren van de leden van de commissie evalueert. Indien een lid van de commissie niet naar behoren functioneert, is het in eerste instantie de commissie die hierop actie zal ondernemen, het is immers een zelfstandig bestuursorgaan. De voorzitter zal hierbij een rol spelen. Mocht een commissielid niet zelf ontslag nemen dan is het uiteindelijk aan het college om op te treden. Het ligt voor de hand dat voordat een dergelijke stap wordt genomen er diverse gesprekken hebben plaatsgevonden en dat er een dossier is gevormd.
Bij de bevoegdheid van het college om een lid te schorsen kan gedacht worden aan een situatie waarbij het functioneren van een commissielid wordt onderzocht en deze, hangende het overleg hierover, wordt geschorst.
Op 22 juli 2009 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) uitspraak gedaan inzake het ontslag door het college van leden van een bezwaarschriftencommissie, aanleiding was een vertrouwensbreuk (gepubliceerd in JB 2009, 216). Met name in de uitspraak van de rechtbank, minder in die van de Afdeling, wordt ingegaan op de bevoegdheid van het college om leden van de bezwaarschriftencommissie te ontslaan wegens een vertrouwensbreuk. De commissie heeft als adviseur in zekere mate een onafhankelijke rol ten opzichte van het college en daarom dient aan de commissie ruimte te worden gelaten om op verantwoorde wijze invulling aan haar onderzoeksbevoegdheden te geven. Het college mag daarom niet te lichtvaardig met de ontslagbevoegdheid omspringen omdat anders de schijn zou kunnen ontstaan dat een commissie(lid) aan de kant wordt geschoven vanwege een voor het bestuursorgaan onwelgevallig standpunt. Tegelijkertijd is de commissie een adviserend orgaan en ligt de eindverantwoordelijkheid voor de beslissing op het bezwaar bij het bestuursorgaan. In verband hiermee achtte de rechtbank en ook de Afdeling het ontoelaatbaar dat de commissie het initiatief nam tot een bemiddelingspoging door een derde, terwijl verweerder al had laten blijken niets te voelen voor een dergelijke oplossing. Het feit dat de commissieleden voor een periode van (in deze zaak) vier jaar worden benoemd doet niet ter zake; indien sprake is van een vertrouwensbreuk is ontslag mogelijk.
Met de wijziging van de verordening in 2013 is de zittingsduur gewijzigd in een periode van zes jaar. Tevens is sindsdien herbenoeming in beginsel niet meer mogelijk, maar alleen bij uitzondering in bijzondere gevallen. De praktijk heeft – met name tijdens de coronapandemie – uitgewezen dat het niet praktisch is om geen (reguliere) herbenoemingsmogelijkheid te hebben. Het werkt beperkend en houdt het risico in dat de benoemingsperiode van een aantal commissieleden gelijktijdig eindigt, waardoor de continuïteit en stabiliteit van de werkzaamheden in het geding kunnen komen. Daarom is met de actualisatie in 2023 er voor gekozen om de zittingsduur van zes jaar aan te houden en de mogelijkheid tot herbenoeming voor een periode van maximaal zes jaar te geven. Dit is een bevoegdheid. Van de mogelijkheid tot herbenoeming kan, maar hoeft geen gebruik te worden gemaakt, net als van de maximaal toegestane herbenoemingsperiode van zes jaar. Het is dus ook mogelijk om een commissielid voor een kortere periode te herbenoemen. Met deze manier van (her)benoemen wordt geacht de stabiliteit van de commissie te waarborgen en gelijktijdig flexibel op (gewijzigde) situaties in te kunnen spelen. Zodoende wordt ook aan het roulerende systeem vastgehouden, zodat wissel in de samenstelling van de commissie en een frisse/objectieve blik gewaarborgd blijven.
Naast de reguliere herbenoeming is het alleen mogelijk om een commissielid bij wijze van uitzondering in geval van bijzondere omstandigheden te herbenoemen. Deze optie blijft ongewijzigd bestaan. Enkele bijzondere omstandigheden zijn reeds in het artikel opgenomen.
Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het kan ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de afhandeling van lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het zesde lid is van orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie te blijven vervullen.
Artikel 4.
Benoeming, zittingsduur en ontslag
Onderdeel van VERORDENING COMMISSIE BEZWAARSCHRIFTEN GEMEENTE BRUMMEN