**1..** Een minderjarige staat onder gezag. Dit kan ouderlijk gezag of voogdij zijn. Bij voogdij wordt het gezag door een ander dan de ouder van het kind uitgeoefend. Dit kan een natuurlijke persoon (bijvoorbeeld pleegouders) of een gecertificeerde instelling zijn.
**2..** Bij voogdij en voorlopige voogdij wordt de gecertificeerde instelling met het gezag over een minderjarige (kind tot 18 jaar) belast. Een gecertificeerde instelling kan in verschillende situaties met de (voorlopige) voogdij worden belast:
er is geen ouder of ander persoon (meer) die het gezag kan uitoefenen (bv. vanwege overlijden van de ouder(s) of onbevoegdheid van de ouder, artikel 1:295 en 1:253r BW), of;
het gezag van de ouder(s) is door de rechter beëindigd (artikel 1:266 BW), of;
er is een acute situatie die bedreigend is voor het kind en iemand anders dan de ouder moet de beslissingen nemen (voorlopige voogdij, artikel 1:241 BW).
**3..** In geval van voogdij draagt de jeugdbeschermer er zorg voor dat de verzorging en opvoeding door een ander wordt opgepakt (pleeggezin, leefgroep of anders) en onderhoudt de jeugdbeschermer contact met het netwerk. Waar nodig zet de jeugdbeschermer hulpverlening in. De jeugdbeschermer onderzoekt of de oorspronkelijke gezagssituatie met de biologische ouders (deels) hersteld kan worden, dan wel dat het gezag (weer) bij een natuurlijk persoon belegd kan worden. Daarnaast is de gecertificeerde instelling als voogd de wettelijk vertegenwoordiger van het kind en dient de gecertificeerde instelling toezicht te houden op en zorg te dragen voor het beheer van het vermogen van het kind.
**4..** Een voogdijmaatregel is gericht op het voorzien in het gezag van een minderjarige als de ouders hiertoe zelf niet in staat zijn of zijn overleden.
**5..** De voogdij kan duren tot de jeugdige 18 jaar is, tenzij de rechter anders beslist. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de rechter een ander als voogd benoemt of het gezag van de ouders herstelt.
**6..** Voogdij kan ook voorlopig worden ingezet, dan eindigt de voogdij drie (3) maanden na de datum van de beschikking, tenzij voor die datum om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht.