Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.4

Jeugdbescherming

Onderdeel van Nadere regels jeugdhulp Westervoort 2023

1.. De wet kent de volgende kinderbeschermingsmaatregelen: voogdij en voorlopige voogdij op grond van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW); ondertoezichtstelling (artikel 1:255 BW); voorlopige ondertoezichtstelling (artikel 1:257 BW). 2.. Deze kinderbeschermingsmaatregelen worden, meestal op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, opgelegd door de rechtbank. Een gecertificeerde instelling (als bedoeld in artikel 1.1. van de wet) wordt door de rechtbank benoemd en met de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen belast. De toegang tot jeugdbescherming verloopt zoals benoemd in artikel 2.5 van deze nadere regels. 3.. Bij een ondertoezichtstelling en voorlopige ondertoezichtstelling wordt de gecertificeerde instelling benoemd als sprake is van de volgende omstandigheden (1:255 BW): de ontwikkeling van een minderjarige wordt ernstig bedreigd, én; de ouders die het gezag uitoefenen en/of de minderjarige accepteren de noodzakelijke hulpverlening niet of onvoldoende, én; de verwachting is gerechtvaardigd dat de ouders in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding binnen een voor het kind aanvaardbare termijn te dragen. 4.. In geval van een voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS) is de situatie zo acuut, dat een normaal onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en een procedure bij de rechtbank niet kan worden afgewacht. De rechtbank kan dan de VOTS uitspreken voor de maximale duur van drie maanden. Daarna eindigt de VOTS of wordt deze omgezet in een ondertoezichtstelling. Bij voogdij en voorlopige voogdij wordt de gecertificeerde instelling met het gezag over een minderjarige belast. Een gecertificeerde instelling kan in verschillende situaties met de (voorlopige) voogdij worden belast als: er is geen ouder of ander persoon (meer) die het gezag kan uitoefenen (bv. vanwege overlijden van de ouder(s) of onbevoegdheid van de ouder, artikel 1:295 en 1:253r BW), of; het gezag van de ouder(s) is door de rechter beëindigd (artikel 1:266 BW), of; er is een acute situatie die bedreigend is voor het kind en iemand anders dan de ouder moet de beslissingen nemen (voorlopige voogdij, artikel 1:241 BW). 5.. In geval van een OTS verleent de jeugdbeschermer begeleiding en steun aan de ouders en de minderjarige en houdt de jeugdbeschermer toezicht op de minderjarige. Samen met ouders en minderjarige stelt de jeugdbeschermer een plan op dat gericht is op het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging en/of onveiligheid. De gecertificeerde instelling kan hulpverlening inzetten indien dit nodig is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Tevens kan de gecertificeerde instelling de rechter verzoeken een machtiging uithuisplaatsing af te geven als het kind (tijdelijk) niet door de ouders kan worden verzorgd/opgevoed. De gecertificeerde instelling heeft naast de machtiging uithuisplaatsing andere wettelijke middelen waarvan gebruik kan worden gemaakt, zoals het opvragen van informatie bij andere betrokken professionals en het geven van een schriftelijke aanwijzing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel