Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.4

Artikel 2.4.2

Tegenprestatie

Onderdeel van Verordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Hoeksche Waard

Voor het ontvangen van een uitkering doet de inwoner iets terug voor de samenleving. Het leveren van een tegenprestatie staat in principe los van de arbeids- en re-integratieplicht. Het college legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als het college dit een passende manier vindt om iets terug te doen voor de samenleving. Een tegenprestatie wordt opgelegd onder de volgende voorwaarden: leidt niet tot verdringen bij werknemers bij de organisatie waar de tegenprestatie wordt verricht; rekening houdend met de mogelijkheden en de persoonlijke situatie en wensen van de inwoner; de positie van de inwoner op de arbeidsmarkt, zoals de duur van de werkloosheid; of de inwoner vrijwilligerswerk doet of activiteiten die maatschappelijk zinvol zijn, en of de inwoner al deelneemt aan voorzieningen van het college gericht op werk. De tegenprestatie die het college van de inwoner verwacht is afhankelijk van de situatie en (persoonlijke) omstandigheden en duurt maximaal 6 maanden en maximaal 15 uur per week of 195 uur per kwartaal. Een tegenprestatie wordt niet opgelegd: als uit individueel onderzoek blijkt, dat op grond van verrichte mantelzorg of vrijwilligerswerk geen tegenprestatie kan worden verlangd; aan de alleenstaande ouder, die in het bezit is van een ontheffing bedoeld in art. 9a, lid1 PW aan de inwoner die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en op grond daarvan volledig is vrijgesteld van arbeids- en re-integratieverplichting bedoeld in art.9 lid 5 PW.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel