Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en ander wordt besproken.
Of dit gesprek op een gemeentelocatie plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken.
Het tweede lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat de inwoner niet wordt belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Als gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien.
In het derde lid kunnen bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het gesprek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Ook kan worden beoordeeld of sprake is van een voorliggende voorziening en of het college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te treffen.
Ook is hierin een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien.
In het vijfde lid wordt aangegeven dat een jeugdige en zijn ouders medewerking dienen te verlenen aan het onderzoek naar hun situatie. Het is van belang dat een toegangsmedewerker onderzoek kan doen naar de situatie van de jeugdige en zijn gezin, om op die manier adequaat in kaart te kunnen brengen wat de hulpvraag is en wat de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de jeugdige, ouders en sociaal netwerk zijn. Als een jeugdige of zijn ouders alleen aangeven wat de hulpvraag is en waar zij aanspraak op willen maken en niet toestaan dat een toegangsmedewerker deze hulpvraag verkent, de situatie van de jeugdige en het gezin in kaart kan brengen en onderzoek kan doen naar de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders, dan kan het college niet beoordelen of er aanspraak is op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. In het zesde lid wordt daarom in dit verband gezegd dat het onvoldoende meewerken aan een dergelijk onderzoek gevolgen kan hebben voor de verstrekking, vorm, inhoud en/of hoogte van de individuele voorziening.