Naar hoofdinhoud
1.. Aan een verleende ontheffing zijn de volgende voorschriften verbonden: De ontheffing mag slechts worden gebruikt ten behoeve van de door de aanvrager omschreven werkzaamheden / activiteiten; De ontheffing wordt verleend voor een bepaald, zo klein mogelijk, gebied; Als het gebruik van de ontheffing voor de werkzaamheden/activiteiten niet strikt noodzakelijk is, dan is de ontheffing niet geldig; De verkeersveiligheid komt niet in het gedrang bij het gebruik van de ontheffing; De ontheffing is niet overdraagbaar. Bij verkoop of overdracht van het kenteken naar een andere kentekenhouder is de ontheffingshouder verplicht dit te melden aan het college. Indien blijkt dat het voertuig op een andere naam staat dan die van de aanvrager van de ontheffing, wordt de ontheffing per direct ingetrokken; Degene die het voertuig bestuurt dient op eerste vordering van een politieambtenaar, de daartoe bevoegde bijzondere opsporingsambtenaar en/of toezichthouder bewijs te kunnen overleggen van de noodzaak van het op dat moment gebruikmaken van de ontheffing; Degene die het voertuig bestuurt verleent zijn medewerking aan het onderzoek van de politieambtenaar en/of de daartoe bevoegde bijzondere opsporingsambtenaar en/of toezichthouder; De ontheffing houder dient ervoor zorg te dragen dat degene die het voertuig in zijn opdracht bestuurt, kennis heeft van de voorschriften en beperkingen, die aan de ontheffing zijn verbonden en de consequenties van het zich niet houden aan deze voorschriften en beperkingen; Aanwijzingen van de politieambtenaar en/of de daartoe bevoegde bijzondere opsporingsambtenaar en/of toezichthouder dienen direct opgevolgd te worden; Het college is bevoegd de aan de ontheffing verbonden voorschriften te wijzigen of nadere voorwaarden hieraan toe te voegen. 2.. De houder van de ontheffing is verplicht de aan de ontheffing verbonden voorschriften na te komen.

Rechtspraak bij dit artikel