Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.2

Artikel 2.2.1

Onderscheid tussen reserves en voorzieningen

Onderdeel van Nota Reserves en Voorzieningen 2023

Een duidelijk onderscheid tussen reserves en voorzieningen is van belang, omdat voorzieningen tot het vreemd vermogen worden gerekend (er kleeft een verplichting aan) en (bestemmings)reserves tot het eigen vermogen. Het BBV legt het onderscheid bij de mogelijkheid dat de raad de bestemming kan wijzigen. Zolang de bestemming veranderd kan worden, is er sprake van een (bestemmings)reserve. Als dit niet meer kan, is er sprake van een voorziening. Reserves Reserves worden omschreven als vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken en die vrij te besteden zijn. Het BBV maakt onderscheid in (artikel 43 BBV): de algemene reserve (het vormen van een buffer om onvoorziene negatieve resultaten af te dekken); de bestemmingsreserves (raad heeft aan de reserve een bepaalde bestemming gegeven). Voorzieningen Voorzieningen kunnen worden gedefinieerd als vermogensbestanddelen die als vreemd vermogen zijn aan te merken en die (bedrijfseconomisch gezien) niet vrij te besteden zijn. Voorzieningen worden gevormd wegens (artikel 44 BBV): verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is in te schatten; op de balansdatum bestaande risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten; kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren. bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35 BBV, eerste lid onder b2Artikel 35, lid 1 b BBV: investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven.. Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen, bedoeld in artikel 49 BBV, onderdeel b 3Artikel 49, lid b BBV: de van de Europese en Nederlandse overheidslichamen ontvangen voorschotbedragen voor uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren.. Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume. Het gaat bij voorzieningen om, min of meer onzekere verplichtingen, die te zijner tijd schulden kunnen worden, zoals garantieverplichtingen en dergelijke (ad 1a). Ook kunnen voorzieningen een schatting betreffen van lasten voortvloeiend uit risico’s die samenhangen met bedrijfsvoering, zoals rechtsgedingen, reorganisaties en dergelijke (ad 1b). Tot slot kunnen voorzieningen betrekking hebben op verplichtingen die samenhangen met het in de tijd onregelmatig gespreid zijn van bepaalde kosten, zoals bijvoorbeeld groot onderhoud (ad 1c). Voor gevolgen van toekomstige gebeurtenissen, die niet in causale relatie staan tot het bedrijfsgebeuren in de periode voorafgaande aan de balansdatum, kunnen geen voorzieningen worden gevormd. Posten als schulden en transitoria (overlopende posten, zoals vooruit ontvangen baten, nog te betalen sociale premies, nog te betalen salarissen, etc.) vallen niet onder het begrip voorzieningen, omdat daarbij geen onzekerheid bestaat over de omvang en het tijdstip van opeisbaar worden van de schuld respectievelijk last. Verkregen middelen van derden die specifiek moeten worden besteed worden ook tot de voorzieningen gerekend (artikel 44 BBV, lid 2). Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn niet toegestaan (artikel 45 BBV). De omvang van een voorziening dient gelijk te zijn aan het noodzakelijke niveau. Van groot belang hierbij is dat voor het bepalen van de omvang van dergelijke voorzieningen (geactualiseerde) meerjarige uitvoeringsplannen beschikbaar zijn. Mutaties in voorzieningen vanwege toevoegingen of vrijval vloeien uitsluitend voort uit het aanpassen aan een nieuw noodzakelijk niveau. De overige mutaties bestaan alleen uit verminderingen wegens aanwending voor het doel waarvoor de voorziening is ingesteld. Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn in beginsel dan ook niet nodig en gewenst, tenzij de voorziening tegen contante waarde is gewaardeerd. In dit laatste geval wordt wel rente toegevoegd en is de rentecomponent essentieel om de geprognosticeerde omvang van de voorziening, de benodigde eindwaarde, te bereiken. Jaarlijks wordt bij het opstellen van de jaarrekening de omvang van een voorziening bepaald met een onderhoudshorizon van 10 jaar en met inachtneming van het prijsniveau van eind van het rekeningjaar. Hierbij is het verplicht dat de voorziening niet negatief mag komen te staan gedurende deze periode en geschiedt op basis bestaand beleid. Het is niet verplicht om een onderhoudsvoorziening te hebben. De raad heeft hiervoor gekozen om grote jaarlijkse fluctuaties op te vangen.

Rechtspraak bij dit artikel