De gemeente streeft bij nieuwbouwplannen naar de ontwateringsdieptes zoals opgenomen in onderstaande tabel. Vanzelfsprekend is het beter om grondwaterproblemen te voorkómen dan om de ontstane overlast of onderlast te moeten beperken.
Tabel 5 3 Ontwateringseisen nieuwbouw
Bestemming
Streefwaarde ontwateringsdiepte*
Woningen met kruipruimte
Minimaal 0,70 m
Woningen zonder kruipruimte of met vochtdichte vloer
Minimaal 0,50 m
Groenvoorzieningen
Minimaal 0,50 m
Secundaire wegen en woonstraten
Minimaal 0,70 m
Primaire wegen
Minimaal 0,70 m
Bedrijventerreinen
Minimaal 0,70 m
* Ontwateringsdiepte = maaiveldhoogte – gemiddeld hoogste
Voornoemde streefwaarden mogen niet structureel overschreden worden. Een ontwateringsdiepte (gemeten in het meetnet) wordt als structureel te klein gedefinieerd als deze, ten minste voor drie opeenvolgde jaren, langer dan vier opeenvolgende weken per jaar kleiner is dan de streefwaarde. Onder de voorwaarde dat het oppervlaktewater naar behoren functioneert en er meldingen zijn van grondwateroverlast.
In overleg met de gemeente en het hoogheemraadschap zal aanvullend op de bovenstaande eisen getoetst worden in hoeverre voor individuele nieuwbouwlocaties geanticipeerd moet worden op:
Effecten van eventuele bodemdaling over 20 – 50 jaar;
Effecten van klimaatverandering op grondwaterstanden.
Ten behoeve van een goede beoordeling van de lokale grondwaterhuishouding, dient de initiatiefnemer van de ontwikkeling voorafgaand aan de ontwikkeling in overleg met de gemeente, de benodigde bodem- en grondwatermetingen aan te leveren. De initiatiefnemer kan zich hierbij baseren op het gemeentelijke grondwatermeetnet, maar vaak zijn ontwikkelgebied specifieke aanvullende metingen onmisbaar. Deze metingen beslaan ten minste één volledig hydrologisch jaar. Bij aanleg van ondergrondse objecten dient de initiatiefnemer de effecten op de omgeving te onderzoeken, in beeld te brengen en aan te tonen.
Om te voldoen aan de ontwateringseisen zijn verschillende oplossingen denkbaar. Niet alle oplossingen zijn echter even gewenst. De initiatiefnemer dient bij het ontwerp en uitvoering de onderstaande voorkeursvolgorde aan te houden:
Aanleg van (extra) open water, waarbij een voorkeur geldt voor diepe greppels, omdat een goede waterkwaliteit in smalle ondiepe sloten niet haalbaar is;
Integraal ophogen van het gebied, binnen de grenzen van de draagkracht van de ondergrond, inclusief een risicobeoordeling op de omliggende omgeving;
Grondverbetering;
Aanpassing bouwwijze of gebruik;
Het toepassen van robuuste ontwateringsmiddelen (zowel particulier als openbaar), zoals drainage, en het uitvoeren van een risicobeoordeling op de omliggende bestaande bebouwing.
De initiatiefnemer onderbouwt als de voorkeursmethode niet mogelijk geacht wordt.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.3
Artikel 5.3.1
Ontwateringsdiepte bij nieuwbouw
Onderdeel van Water en Rioleringsprogramma 2024-2030