Indien uit een bodemonderzoek zoals bedoeld in artikel 3 blijkt dat er een bodemverontreiniging met PFAS in de bodem aanwezig is, meldt degene die voornemens is de bodem te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, dit aan het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 27 en artikel 28 van de Wet, indien de gehalten hoger liggen dan de gehalten uit artikel 7, tweede lid.