Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1.1

Een kansgerichte benadering voor mobiliteit in gebiedsontwikkelingen

Onderdeel van Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg 2023

Het college werkt aan een Omgevingsvisie, die wordt vastgesteld door de raad, waarin richting gekozen wordt voor de inrichting en kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Dat is een uitdagende operatie, want in de Omgevingsvisie moeten meerdere ruimtelijke opgaven een plek krijgen terwijl de ruimte in Leidschendam-Voorburg schaars is en mondiale transities als een klimaat neutrale toekomst ook lokaal handelen vragen. De opgaven zijn uitgewerkt in vier bouwstenen die voor de Omgevingsvisie zijn gemaakt: een goed bereikbare gemeente, een aantrekkelijke groene woongemeente, een gemeente met ruimte voor werk en ondernemerschap, een duurzame gemeente. In de voorbereidingen voor de Omgevingsvisie is inmiddels het inzicht ontstaan dat de opgaven alléén zijn waar te maken als de vier bouwstenen slim gecombineerd worden. De gebieden in Leidschendam-Voorburg die de komende jaren herontwikkeld worden, zijn bij uitstek de plekken waar al die opgaven samenkomen. Dat zijn gebieden als Overgoo, Klein Plaspoelpolder en de omgevingen van de stations Laan van NOI en Mariahoeve (onder meer Appelgaarde). De bouwopgave is fors: 4.500 à 5.000 woningen en vestigingsruimte voor 2.000 arbeidsplaatsen. In combinatie met een groene en klimaatbestendige openbare ruimte, maatschappelijke en commerciële voorzieningen voor het dagelijks leven, infrastructuur om van A naar B te gaan, enzovoorts. Dit vraagt een visie op de wijze waarop de mobiliteit zich lokaal en regionaal ontwikkelt en vervolgens regie op de verwezenlijking van die visie. Aan de Omgevingsvisie wordt nu gewerkt. Vooruitlopend daarop is de Bouwsteen Bereikbaarheid en Mobiliteit, in 2021 vastgesteld door de Raad, richtinggevend voor keuzes op het gebied van bereikbaarheid en mobiliteit binnen gebiedsontwikkelingen. De bouwsteen kiest als insteek om de beschikbare capaciteit van bestaande verkeersinfrastructuur zo goed mogelijk te benutten en daarnaast duurzame vormen van vervoer (lopen en fietsen, vormen van openbaar vervoer, vormen van deelmobiliteit) te stimuleren. Het doel daarvan is dat Leidschendam-Voorburg goed bereikbaar is en blijft, met zo min mogelijk nadelige omgevingseffecten: minder ruimtebeslag, een schonere lucht, minder verkeerslawaai, meer ruimte om natte voeten of juist verdroging te voorkomen en een grotere gezondheid voor inwoners. Mobiliteit en bereikbaarheid zijn onderdeel van de programmatische en stedenbouwkundige invulling van de gebieden die herontwikkeld worden. Dat geldt meer in het bijzonder voor de parkeernormen voor auto en fiets. Het college ervaart dat de huidige Nota Parkeernormen uit 2012 eerder hindert dan helpt in integrale oplossingen binnen gebiedsontwikkelingen. Dat komt kort gezegd doordat de norm de regel is en de afwijking de uitzondering. Het college wil bewegen naar gebiedsontwikkelingen met een integrale benadering van de bouwopgave, de kwaliteit en het groen van de openbare ruimte, het klimaat en de bereikbaarheid. In gebieden nabij NS-stations of haltes van Randstadrail (hoogwaardig openbaar vervoer) kan de autoparkeernorm aanzienlijk lager zijn dan gemiddeld. Het college wil in de parkeernormen voor gebiedsontwikkelingen deze ‘kansgerichte’ benadering in de plaats stellen van de huidige ‘normgerichte’ benadering en daarbij de projectontwikkelaars medeverantwoordelijk maken voor de bereikbaarheid van een gebied. Concreet, tegenover het profijt van een bepaald volume woningen in een gebied hoort medeverantwoordelijkheid te staan voor investeren in bijvoorbeeld fietsvoorzieningen of ruimte voor concepten van deelmobiliteit. Het college ervaart dat projectontwikkelaars open staan voor die benadering, wat ook bleek tijdens de expertmeeting op 13 februari 2023. Voor de gemeente zélf betekent de kansgerichte benadering dat de parkeernormen een bestanddeel zijn van een integrale gebiedsontwikkeling, waarbij de gemeente kritisch toetst of een maatwerknorm voldoende ambitieus is in het licht van de beleidsopgaven en voldoende realistisch is om ongewenste neveneffecten te voorkomen. Neveneffecten zoals parkeerdruk op omliggende bestaande wijken als een parkeernorm té laag wordt bepaald en bewoners met een auto verderop gaan parkeren. De kansgerichte benadering betekent dus niet dat het college het gebruik van parkeernormen wil ‘loslaten’ maar op een andere manier wil gaan sturen op de invulling van de parkeernormen in een gebied. Het college heeft een Nota Parkeernormen gemaakt die de omslag van een norm-gerichte naar kansgerichte benadering mogelijk maakt voor de gebieden die de komende jaren worden herontwikkeld. De parkeernormen voor de auto en fiets zijn daarmee nog steeds in technische zin ‘normen’, en zijn gebaseerd op de richtlijnen van het CROW. Want het blijven normen die sturend zijn op het volume parkeer-plaatsen, maar als sturende uitkomst van een integraal proces van gebiedsontwikkeling, niet als sturende start voor gebieds-ontwikkeling. Het college ziet de parkeernorm daarmee als middel om op maat per gebied invulling te geven aan een goede integratie van afwegingen van bereikbaarheid, woongenot, schaarse ruimte, duurzaamheid en kwaliteit van de openbare ruimte. Wel is het goed om te monitoren of de kansgerichte benadering van parkeernormen in de praktijk tot het gewenste resultaat leidt. Hiertoe wordt begin 2024 een sessie met stakeholders belegd. Doel van deze sessie is om met hen van gedachten te wisselen in hoeverre de doelen van de Nota Parkeernormen gehaald worden. Als daar aanleiding toe is, kan dat leiden tot een voorstel aan de raad tot aanpassingen op de Nota Parkeernormen.

Rechtspraak bij dit artikel