Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 2.

Omgang eigenaar-verhuurder met de huurwoningen en zittende huurders

Onderdeel van Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024

In verband met de woonruimtevoorraad en de waarborgen dat huurwoningen na de voorgenomen splitsing bestemd blijven voor verhuur ter bewoning (artikel 3.6.1, eerste lid, onderdeel d Huisvestingsverordening) nemen burgemeester en wethouders mee in haar beoordeling mee of: de aanvrager, die deelnemer is aan de Gedragscode Splitsen Amsterdam, zich in overeenstemming met deze gedragscode ten opzichte van huurder(s) gedraagt; het verschoonbaar is dat verhuurder zich niet conform de Gedragscode ten opzichte van de huurder(s) gedraagt; de aanvrager daarmee voldoende zekerheid biedt dat huurder(s) na splitsing van het gebouw de door hen gehuurde woning ten tijde van de aanvraag van de splitsingsvergunning ook kunnen blijven bewonen; en het gehele traject van de splitsingsvergunning door de verhuurder. Burgemeester en wethouders beoordelen bovenstaande vier elementen aan de hand van de volgende aspecten: is er een werkovereenkomst, gesloten tussen verhuurder en huurder; is er een klacht ingediend bij de Geschillencommissie Gedragscode Splitsen en zo ja, wat is de uitspraak van de geschillencommissie; en voorts andere relevante aspecten zoals bejegening van de huurders en uitvoering van de werkzaamheden ter verbetering van het gebouw. Al deze aspecten worden meegenomen in de beoordeling van de aanvraag en de daarvoor vereiste belangenafweging voor het al dan niet verlenen van de splitsingsvergunning.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel