Naar hoofdinhoud
1.. Voor de berekening van de loonkosten en kosten eigen arbeid als bedoeld in artikel 1.8, onder a en b, geven Gedeputeerde Staten in het openstellingsbesluit één van de volgende berekeningswijzen aan: de kosten worden berekend door: in het geval van eigen arbeid, het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met een uurtarief van € 50; in het geval van loonkosten, een per medewerker bepaald individueel uurtarief, berekend overeenkomstig het tweede lid, te vermenigvuldigen met het aantal door de medewerker aan het project bestede uren, waarna dat bedrag met 15% wordt vermeerderd voor overhead; of de kosten worden berekend door het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met de volgende uurtarieven: € 44 voor de kosten van een projectmedewerker; € 50 voor de kosten van een landbouwer; € 78 voor de kosten van een adviseur; € 88 voor de kosten van een projectleider of expert. 2. . Het uurtarief, bedoeld in het eerste lid, onder a, subonderdeel ii, wordt berekend door het bruto jaarloon, vermeerderd met 44,2% voor werkgeverslasten, te delen door 1.720 uur op basis van een 40-urige werkweek, of, in geval van een niet volledig gewerkt jaar of een medewerker die werkzaam is in deeltijd, een naar rato toegepast aantal uren. 3. . De overige subsidiabele kosten worden vastgesteld op basis van een factuur of een document met gelijkwaardige bewijskracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel