Naar hoofdinhoud
1.. Voor de algemene vrijlatingsregeling geldt dat inkomsten uit arbeid voor ten hoogste 6 maanden kunnen worden vrijgelaten. Dat mag alleen als dit bijdraagt aan arbeidsinschakeling. Het college bepaalt wanneer dit bijdraagt aan arbeidsinschakeling. De vrijlating is tot 25% van de inkomsten met een in de wet geregeld maximumbedrag. 2.. Deze vrijlating geldt niet voor personen jonger dan 27 jaar. Als een persoon één van de vrijlatingen als genoemd in artikel 4, 5 of 6 ontvangt, wordt op het moment dat de belanghebbende 27 jaar wordt, de lopende inkomstenvrijlating onderbroken. Belanghebbende heeft recht op de algemene vrijlating. Heeft de belanghebbende de algemene vrijlatingsregeling doorlopen, dan wordt de vrijlating als genoemd in artikel 4, 5 of 6 hervat. 3.. Deze vrijlating geldt alleen wanneer het college van oordeel is dat de belanghebbende extra belemmeringen ondervindt om betaalde arbeid te vinden. De vrijlating geldt daarom alleen voor de volgende vijf doelgroepen; een alleenstaande ouder met een ten laste komend kind jonger dan 12 jaar; een uitkeringsgerechtigde die aantoonbaar voor ten minste 8 uur per week noodzakelijke mantelzorg verleent aan de echtgenoot, partner of bloedverwant in de eerste graad; een uitkeringsgerechtigde ouder dan 57½ jaar die vanwege een slechte arbeidsmarktsituatie voor die persoon onvoldoende perspectief heeft op uitstroom naar volledig betaalde arbeid; een uitkeringsgerechtigde van wie door een onafhankelijk deskundige is vastgesteld dat er sprake is van medische of sociale omstandigheden die uitstroom naar volledig betaalde arbeid kunnen belemmeren; een uitkeringsgerechtigde die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 4.. Voor gehuwden of personen die een gezamenlijke huishouding hebben, is er alleen recht op vrijlating van inkomsten wanneer het inkomen wordt verdiend door de persoon die onder de doelgroep van lid 3 valt. 5.. De vrijlating kan één keer per bijstandsperiode worden verleend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel