Bestuursorgaan
Met bestuursorgaan wordt bedoeld de organen als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, Awb.
Op gemeentelijk niveau gaat het om de gemeenteraad, de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders. Deze bestuursorganen kunnen besluiten nemen die als schadeoorzaak kunnen worden aangemerkt.
Ten aanzien van het bevoegd gezag is voorts, voor zover het de gemeente betreft, in artikel 15.8 Ow bepaald dat als de aanvraag om schadevergoeding, zoals bedoeld in afdeling 15.1 Ow, betrekking heeft op een besluit van de gemeenteraad, als bestuursorgaan dat de schadevergoeding toekent als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, Awb, wordt aangemerkt het college van burgemeester en wethouders.
Een bestuursorgaan kan de bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag, zoals bedoeld in afdeling 15.1 Ow, om schadevergoeding overdragen aan een ander bestuursorgaan. Ten aanzien hiervan kunnen regels bij algemene maatregel van bestuur worden gesteld.
Schade
Binnen het stelsel van nadeelcompensatie wordt voor het schadebegrip aansluiting gezocht bij artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek. Schade betreft alleen materiële schade (dat wil zeggen schade die direct in geld kan worden uitgedrukt) en kan bestaan uit brutowinst- of inkomensderving, kostenschade, derving van huurinkomsten dan wel een waardevermindering van een onroerende zaak.
Voorts dient binnen het stelsel van nadeelcompensatie deze schade te zijn veroorzaakt door een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak.
De schade dient voorts in een voldoende causaal verband te kunnen worden gebracht met de schadeoorzaak. Hiernaast dient de schade boven het normale maatschappelijke risico of het normaal ondernemersrisico (abnormale last) van de benadeelde uit te stijgen en de benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar te treffen (speciale last).
Bij fysieke schade aan roerende en onroerende zaken kan nadeelcompensatie niet aan de orde zijn. In de rechtspraktijk wordt fysieke schade, vanuit de gedachte dat fysieke schade steeds behoort te worden voorkomen, in de regel binnen het civiele recht afgewikkeld, op basis van artikel 6:162 BW. Immers, kan dergelijke schade uiteindelijk feitelijk niet worden voorkomen, dan wordt deze niet aangemerkt als schade als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een publieke taak of bevoegdheid maar als schade als gevolg van onrechtmatig handelen (van bijvoorbeeld de aannemer of de opdrachtgever).