Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.2

Artikel 2.2.2

Veranderingen voor erfgoed als gevolg van de Omgevingswet

Onderdeel van Beleidsnota Erfgoed: archeologie, gebouwd erfgoed en historisch landschap Gemeente Nuenen 2023-2029

Tot voor kort vond de bescherming van erfgoed met name plaats door aanwijzing; rijksmonumenten op basis van de Erfgoedwet en gemeentelijke monumenten op grond van de gemeentelijke erfgoedverordening. Met de komst van de Omgevingswet zal bescherming plaats gaan vinden door het opnemen van rijks- en gemeentelijke monumenten in het omgevingsplan en een hieraan gekoppeld vergunningstelsel.9De gemeente is hierbij alleen verantwoordelijk voor het opnemen van gemeentelijke monumenten. Het rijk zorgt dat rijksmonumenten in het Digitale Stelsel van de Omgevingswet (DSO) komen (zie voor uitleg p. 24). Daarnaast is de nadruk bij het beschermen van cultureel erfgoed verschoven van het individuele monument naar de omgevingskwaliteit. Het gaat niet alleen om de voorkant van een pand maar net zozeer over de samenhang met het interieur, de erfinrichting en de omgeving. In de Omgevingswet is erfgoed als ruimtelijke factor stevig verankerd. Dat betekent onder meer dat in de Omgevingswet specifieke regels zijn opgenomen vanuit de zorgplicht die de gemeente heeft om het cultureel erfgoed in stand te houden.10Instandhoudingsplicht (Artikel 10.18 Erfgoedwet en 11 lid 1 Monumentenwet 1988 in overgangsrecht Erfgoedwet). De belangrijkste taken voor de gemeente voortvloeiend uit de regelgeving van de rijksoverheid zijn: Er wordt een brede definitie van cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving gehanteerd. Het gaat om gebouwde en aangelegde monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten én historische landschappen. De gemeente moet aantasting van de omgeving van beschermde monumenten voorkomen. Dat moet voor zover die aantasting een negatieve invloed heeft op het aanzicht of de waardering van die monumenten. Dit geldt voor alle beschermde monumenten: rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Hiervoor moeten gemeenten regels opnemen in het omgevingsplan. In de omgevingsvisie staan de ontwikkelingen en ambities op lange termijn voor bouwwerken, infrastructuur, cultureel erfgoed, bodem, lucht, natuur en andere aspecten van de fysieke leefomgeving. Dat betekent onder meer dat aangegeven moet worden hoe de gemeente met zijn erfgoed omgaat en de instandhouding ervan voor de lange termijn waarborgt. Het omgevingsplan komt in de plaats van het huidige bestemmingsplan en de gemeentelijke erfgoedverordening. Ook de regels voor de bescherming van rijksmonumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (en landgoederen) vallen daaronder. Hierbij moeten de instructies uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl art. 5.130) worden gehanteerd.11Het gaat daarbij om regels die in het omgevingsplan moeten worden opgenomen voor: het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van in het plan beschermde monumenten; het voorkomen van verplaatsen van zulke monumenten, tenzij voor het monument noodzakelijk; het bevorderen van het gebruik van monumenten; het voorkomen van aantasting van het karakter van beschermde dorps- en stadsgezichten en van cultuurlandschappen door sloop van bestaande gebouwen, bouw van nieuwe of andere veranderingen; het conserveren / in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur ‘in situ’. Ook het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke monumenten vindt via het omgevingsplan plaats. De bestaande gemeentelijke monumenten moeten door de gemeente worden overgezet naar het omgevingsplan.12Art 22.8 Omgevingswet regelt dat vergunningsplichten die geregeld zijn in gemeentelijke verordeningen onder het ‘oude’ recht ook gelden onder de Omgevingswet, zolang gemeenten nog geen omgevingsplan hebben dat aan alle wettelijke eisen voldoet. De taken en bevoegdheden van de huidige monumentencommissie of commissie voor welstand en monumenten vervallen van rechtswege bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. De nieuwe gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit zal dan in werking treden. De minimale wettelijke taak van de gemeentelijke adviescommissie is het uitbrengen van advies over vergunningaanvragen met betrekking tot rijksmonumenten (uitgezonderd archeologische rijksmonumenten). Gemeenten kunnen er voor kiezen meer taken toe te bedelen aan deze adviescommissie (Omgevingsbesluit art. 4.20 t/m 4.22). Wanneer een rijksmonumentenactiviteit aan een archeologisch rijksmonument wordt aangevraagd in combinatie met (een) andere activiteit(en) verleent het bevoegd gezag voor de andere activiteit(en) ook de vergunning voor de rijksmonumentenactiviteit. Het bevoegd gezag is meestal de gemeente maar kan ook de provincie of het Rijk zijn, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een ontgronding. De minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft dan recht van advies en instemming. De minister van OCW blijft bevoegd gezag bij ‘enkelvoudige aanvragen’. In de Omgevingswet is geregeld dat in het geval van archeologische toevalsvondsten van algemeen belang het bevoegd gezag bodemverstorende werkzaamheden kan stilleggen (Omgevingswet art. 19.2). In de Omgevingswet, artikelen 1.6, 1.7 en 1.7a is een algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving opgenomen. Deze is nader uitgewerkt in het Omgevingsbesluit (art. 1.3). Doordat cultureel erfgoed hierin expliciet benoemd is kan er gehandhaafd worden op beschadigingen aan beschermd cultureel erfgoed, ook als die niet onder een expliciet verbod vallen. Naast deze algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving wordt ook expliciet een onderhoudsplicht voor (beschermd) cultureel erfgoed opgelegd (Omgevingsbesluit art. 1.3 lid c) en specifiek voor rijksmonumenten in het Besluit activiteiten leefomgeving (art. 13.11 ). Deze laatste onderhoudsplicht geldt specifiek voor degene die geacht wordt dit erfgoed te onderhouden, voor rijksmonumenten bijvoorbeeld de eigenaar, huurder, pachter of beheerder. Deze moet ervoor zorgen dat beschermd erfgoed zodanig onderhouden wordt dat instandhouding van het object en de monumentale bouwkundige elementen gewaarborgd is. Het toetsingskader voor een sloopvergunning binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht moet in het omgevingsplan worden opgenomen. Gemeenten moeten via een Omgevingsloket op uniforme wijze de gegevens vanuit de bronnen ontsluiten, en deze bovendien vertalen naar gebruikstoepassingen. Dit heet het Digitale Stelsel van de Omgevingswet (DSO). Bedoeling van dit stelsel is dat initiatiefnemers, belanghebbenden en het bevoegd gezag straks met een klik op de kaart alle beschikbare informatie met rechtsgevolgen kunnen raadplegen, die nodig is voor het gebruik van de Omgevingswet. Een digitale databank met cultuurhistorische waardenkaart waarop al het erfgoed bij elkaar gebracht is, is hiervoor een beproefd instrument. Gemeenten moeten de DSO op orde brengen door alle gemeentelijk beschermde objecten en structuren digitaal in het Kadaster te verwerken. Ook gemeentelijke kaarten moeten volgens de DSO-systematiek worden getransformeerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel