De terugsaneerwaarden zijn in de Wet bodembescherming, het Besluit Uniforme Saneringen en de Regeling Uniforme Saneringen) geregeld:
Wet bodembescherming
Circulaire artikel 4.1.2
Bodemfunctie
Gemotiveerd afwijken met behulp van een saneringsplan
BUS/RUS
RUS artikel 3.1.6 en 3.2.4
Vastgestelde Lokale Maximale Waarden
Bodemfunctie zoals is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart, de Achtergrondwaarden (AW2000) als geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld
Mobiele verontreiniging: kwaliteitsklasse Wonen
Deze terugsaneerwaarden worden ook geadviseerd als op locaties sterk verontreinigde grond wordt ontgraven waar geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (veroorzaakt voor 1 januari 1987); bijvoorbeeld als sprake is van 25 kuub of minder, sterk verontreinigde grond.
Nieuwe bodemverontreinigingen (ontstaan vanaf 1 januari 1987) moeten volledig worden gesaneerd. Hiervoor zijn de gemeenten voor hun eigen grondgebied bevoegd gezag.
Het is mogelijk dat in uitzonderlijke gevallen de Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3) niet toereikend zijn voor een sanering. Zo zou het kunnen zijn dat er voor een specifieke situatie de saneringskosten te hoog oplopen, terwijl verwacht wordt dat er op basis van locaties specifieke omstandigheden geen sprake is van een risico. In die situatie moet een saneringsplan worden opgesteld en de hierin gehanteerde terugsaneerwaarden op basis van een uitgebreid onderzoek naar risico’s (bijvoorbeeld een triadeonderzoek) worden onderbouwd.
Het toepassen van grond om een saneringsdoelstelling te behalen valt onder het bevoegde gezag van de Wet bodembescherming. De gemeente Leiden is voor haar eigen grondgebied meestal het bevoegd gezag Wet bodembescherming (ODWH gemandateerd). Voor de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude is dat de provincie Zuid-Holland (ODWH gemandateerd). Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de gemeenten voor hun eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet waaronder (beschikte spoedlocaties, locaties met ingediende (deel)saneringsplannen, locaties met een maximaal 12 maanden oude ingediende BUS-melding, locaties waar sprake is van een nieuw geval van bodemverontreiniging (ontstaan in de periode 1 januari 1987 en 31 december 2023, dus vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) en locaties met nazorgsmaatregelen zoals bijvoorbeeld geregistreerde restverontreinigingen, leeflaagsaneringen, monitoringsverplichtingen). Voor deze locaties in de gemeenten Hillegom, Kaag en Braassem, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude blijft de provincie Zuid-Holland, de ODWH (gemandateerd), bevoegd gezag. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (zie § 2.1.1 in bijlage 2) en voldoet aan de toepassingsvoorwaarden uit deze nota bodembeheer. Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen.
Voor grond, afkomstig uit het bodembeheergebied van de gemeenten (zie § 4.2), gelden de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen N6). Voor grond van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten (zie § 4.2), gelden de generieke toepassingseisen van het Besluit (zie de kaartbijlagen N5). Mogelijk zijn ook de aanvullende bepalingen uit § 4.4 (bijmenging bodemvreemd materiaal) en § 4.5 (asbestverdacht/-houdend materiaal) van toepassing.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.15
Artikel 4.15.1
TERUGSANEERWAARDEN EN TOEPASSEN GROND
Onderdeel van Nota bodembeheer 2023-2033