In de Waterwet en de Keur van waterschappen is geregeld dat de aangrenzende percelen van watergangen een ontvangstplicht hebben. Voorafgaand aan het verspreiden van de onderhoudsbaggerspecie over het aangrenzend perceel moet de kwaliteit van de baggerspecie worden getoetst. Bij de normstelling van deze toets wordt rekening gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De Maximale Waarden voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen zijn opgenomen in tabel 2 uit bijlage B van de Regeling. De normstelling is geschematiseerd in figuur 4.2. In bijlage 1 onder het kopje ‘aangrenzend perceel’ is nader ingegaan op de definitie van ‘aangrenzend perceel’.
Figuur 4.2. Normstelling voor verspreiding van baggerspecie over aangrenzende percelen.
Voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende algemene voorwaarden:
Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem.
De verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld.
Gebiedsspecifiek beleid van de gemeenten bij het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie zijn:
Voor onderhoudsbaggerspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitseisen uit tabel 3b van de Regeling bodemkwaliteit 2022[29] én aan de interventiewaarden droge bodem geldt de ontvangstplicht.
Voor onderhoudsbaggerspecie van watergangen in door de provincie of gemeente aangewezen natuurgebieden geldt dat deze alleen op een direct aangrenzend perceel van de watergang mag worden verspreid.
Voor onderhoudsbaggerspecie van andere watergangen geldt dat
Deze alleen mag worden verspreid op een perceel dat grenst aan dezelfde watergang.
Door ruimtegebrek of als geen verspreidingsmogelijkheden zijn op aangrenzende percelen, dan mag de onderhoudsbaggerspecie worden verspreid tot ten hoogste 10 kilometer van de plaats van herkomst; gemeentegrensoverschrijdend verspreiden van onderhoudsbaggerspecie is dus mogelijk. Voorwaarden hierbij zijn:
De baggerspecie wordt toegepast op landbouwgronden.
De perceeleigenaar van de ontvangende bodem heeft toestemming gegeven.
Voor verdere informatie over het verspreiden van baggerspecie op de landbodem onder de Omgevingswet wordt hier volstaan met een verwijzing naar de ‘factsheet verspreidingsbeleid’[30].
Ook mag maximaal 5 gewichtsprocent aan bijmenging van bodemvreemd materiaal (chemisch inert, zoals puinbrokjes, stukjes hout, stukjes ijzer, e.d.) en 0,1 volume- of gewichtsprocent aan ander bodemvreemd materiaal (bijvoorbeeld vuilnis, industrieafval, plastic, piepschuim, asfalt, slakken, sintels, grote stukken puin etc.) in de toe te passen grond aanwezig zijn (zie § 4.4).